Altijd op de ladder

De schilder ging die morgen vroeg van huis. Hij was in heel goede stemming. Drie maanden geleden was hij met een grote muurschildering begonnen en hij wist zeker dat die vandaag af zou komen. Hij hoefde alleen aan een paar kleinigheden te werken. De strijkstok van de violist moest nog een verfje hebben. En de eerste twee letters van de achternaam had de schilder tot het laatst bewaard.

Het was een mooie opdracht geweest. Het gemeentebestuur van Parijs had hem gevraagd of hij eens wilde nadenken over een blinde muur van de Clissonstraat en Jean Sebastien Bachstraat. In de keuze van zijn ontwerp was hij helemaal vrij, als het maar opviel.

Natuurlijk had hij meteen voor de kop van de componist gekozen. Het hoofd van Bach in de Bachstraat, mooier kon het niet. Hij wist zelfs al hoe het schilderij ten doop zou worden gehouden. In het huis tegenover de componist moest een vioolstuk van Bach worden gespeeld. Door een echte violist of op de grammofoon, dat maakte niets uit. Als het raam maar openstond en de harde muziek naar de andere kant van de straat zou waaien.

Toen de schilder op de ladder stond keek hij nog eens naar de B en de A van Bach. Moest hij die eigenlijk wel afmaken? Ineens wist hij dat hij nog twee weken langer aan de componist ging werken. Hij schilderde de ladder met haar schaduw op de muur. En nu hijzelf nog, op de bovenste sport, terwijl hij zijn arm naar de B ophief.

De muur was eindelijk af. De voorbijgangers dachten dat daar een schilder stond die maar niet met zijn werk opschoot.