"THE MAMBO KINGS' VERFILMD ALS DROOMMUSICAL; Twee broers als water en vuur

The Mambo Kings. Regie: Arne Glimcher. Met: Armand Assante, Antonio Banderas, Cathy Moriarty, Maruschka Detmers. Amsterdam, Tuschinski 3; Rotterdam, Calypso 2; Den Haag, Babylon 1; Groningen, City; Leiden, Studio; Zwolle, Cinema De Kroon.

De filmmusical staat vandaag de dag in laag aanzien. Klassiekers in het genre verschijnen nog wel met enige regelmaat op televisie, maar onder de jongere generaties werven Fred Astaire, Gene Kelly en Judy Garland weinig nieuwe aanhang. Vergeefs is geprobeerd de filmsoort aan te passen aan moderner muzikaal idioom, zelden met bevredigend resultaat; beelden waarin het verhaaltje bewust ondergeschikt wordt gemaakt aan emotie en muziek zijn nu alleen in videoclipvorm populair.

Zo kwam de musical terecht in het verdomhoekje van nostalgie en cinefilie. Voor vele liefhebbers bleef het een droom, een moderne musical. Welke regisseur zou niet de thans beschikbare technologie en superbudgets willen benutten voor een musical die de perfectie en de warmte van de oude musicals evenaart, een film met aantrekkelijke hoofdrolspelers, verleidelijke muziek, meeslepende, dramatische dansnummers en een ragdunne verhaallijn van armoede, succes, begeerte en hartstocht.

Zo'n droomfilm werd The Mambo Kings, het regiedebuut van de Newyorkse galeriehouder Arne Glimcher. Samen met de Cubaanse scenariste Cynthia Cidre dunde Glimcher de ruim vierhonderd pagina's van de met een Pulitzer Prize bekroonde roman The Mambo Kings Play Songs of Love van Oscar Hijuelos uit tot een simpel basisstramien. Twee broers emigreren in 1952 uit Havana naar New York. De revolutie moet nog plaatsvinden; Cesar en Nestor Castillo vluchten om andere redenen. Een machtige nachtclubeigenaar heeft zijn zinnen gezet op Maria, de geliefde van de jongste broer en trompettist Nestor. Om zijn leven te redden, dat zeker in een stilettogevecht verloren zou zijn gegaan, troont bandleider Cesar hem mee naar het land van de grote belofte. In de hausse van de Latijnsamerikaanse dansmuziek vinden beiden snel emplooi, maar koppigheid weerhoudt hen voor een nieuwe knieval voor criminele impresario's en opdringerige beschermheren. De nieuwe Amerikanen ruiken slechts aan de glitter van het Palladium en de zoete roem en moeten hun brood verdienen met nederige klusjes. De grootste triomf van The Mambo Kings is een door de legendarische Desi Arnaz (ontroerend gespeeld door diens gelijknamige zoon en evenbeeld) gearrangeerd eenmalig optreden in de tv-show van Lucy Ball. Weinig later slaat het noodlot wreed toe, maar eeuwig zal de door Nestor uit heimwee naar Cuba geschreven bolero Beautiful Maria of My Soul blijven weerklinken.

Hadden de door Hijuelos bedachte personages werkelijk bestaan, dan zou Hollywood na de hommages aan Glenn Miller en Benny Goodman misschien al in de jaren vijftig The Cesar and Nestor Castillo Story geproduceerd hebben. Zeker is dat niet, want etnische minderheden waren in de oude musicals niet bestemd voor iets anders dan een enkel tapdansje of het vertolken van een rumba op de achtergrond. Glimcher herstelt dit onrecht door ruim baan te geven aan de inspiratie van de latino-cultuur door machismo, trotse seksualiteit en zelfdestructief geweld.

Een Cubaanse zangeres, in de film vertolkt door salsa-koningin Celia Cruz, beschrijft de beide broers als water en vuur, ook muzikaal een interessante combinatie. De melancholieke en zachtmoedige Nestor (Antonio Banderas, de ster van Pedro Almodovars Spaanse films en degene die Madonna een blauwtje laat lopen in haar eigen documentaire) vormt een perfecte harmonie met de uit dynamiet opgetrokken Cesar (Armand Assante). De laatste windt meteen een platinablonde sigarettenverkoopster uit het Palladium (Cathy Moriarty) om zijn vinger, maar koestert een geheime passie, in een fenomenaal dansnummer gesuggereerd, voor Nestors vrouw (de Nederlandse Maruschka Detmers in een indrukwekkend Hollywooddebuut). Dit kwartet van acteurs, op wie je niet snel uitgekeken raakt, is een belangrijke troef in Glimchers spel. Maar de regisseur schudt er meer uit zijn mouw: elk hoekje van het beeld is volgestopt met rijke details, die tezamen een epoque oproepen, de glorietijd van samba, rumba en mambo. De opzwepende muziek (veteraan Tito Puente speelt zichzelf), de protserige kostuums, de ornamenten van een hardnekkig weelde propagerende balzaal, alles staat in het teken van precisie, zorg en ambachtelijkheid. Cameraman Michael Ballhaus (niet alleen de favoriet van Fassbinder en Scorsese, maar ook de vormgever van het thematisch en qua sfeer zeer verwante The Fabulous Baker Boys) baadt de beelden in een gouden gloed, die zelden gratuit lijkt. Bijzonder is ook de montage van Oscarwinnares Claire Simpson (Platoon), die steeds feilloos gedicteerd wordt door het ritme van de muziek. Glimcher ontwierp enkele heel bijzondere montage-experimenten, waarin bij voorbeeld de "slechte' clubeigenaren als cut-out-figuren dwars door het treurige schnabbelbestaan van de hoofdpersonen heen dansen. Ook de naadloze montage van oude fragmenten uit de tv-serie I Love Lucy met het optreden van Assante en Banderas in een reconstructie is van een ontroerende perfectie.

Aan de stilering en vormgeving schort het zelden in de gemiddelde Hollywoodfilm, maar wat Glimchers debuut ver boven de middelmaat doet uitstijgen is dat zijn ambachtelijkheid dienstbaar blijft aan de emoties, die hij wil overbrengen. The Mambo Kings is een liefdevolle film, die de wereld noch de filmhistorie veranderen zal, maar waar de kijker zich thuis in kan voelen. Het is het ideale amusement voor een warme zomeravond, wanneer de temperatuur van een cocktail belangrijker is dan de substantie.