Taboes in de broeikas

Het broeikaseffect is ongewenst. Daarover bestaat langzamerhand overeenstemming. De geluiden uit de begintijd, dat het broeikaseffect misschien een mooi tegenwicht zou vormen tegen een nieuwe IJstijd, zijn langzamerhand verstomd. Als het broeikaseffect er komt, dan komt het in de loop van een eeuw, veel sneller dan een nieuwe IJstijd.

Maar de middelen waarmee het broeikaseffect bestreden moet worden, zijn met taboes omgeven. Vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen ligt voor de hand, net als vergroting van het aandeel van zon- en windenergie. Maar andere technische middelen liggen politiek moeilijk, vooral in Nederland. Soms worden ze zelfs niet eens overwogen.

Zo produceert de Nederlandse cement-industrie ruim éen procent van de CO2-uitstoot. Waarom niet opnieuw zoveel mogelijk houten heipalen gebruiken en waar mogelijk de oude leembouw herntroduceren?

In het geheel geen CO2 produceert kernenergie. Overschakeling op kernenergie en elektrificatie van de maatschappij, inclusief elektrische auto's, zou een einde maken aan de uitstoot van CO2. Maar op deze technische oplossing rust een taboe. Het is, vinden velen, de duivel uitdrijven met Beëlzebub. Liever een warmer klimaat dan kernafval en proliferatie van nucleaire technologie, inclusief kernwapens.

Onbespreekbaar is ook een verbod op het verbranden van afval. Nederland heeft gekozen voor afvalverbranding, eerder was storten gangbaar. Met het storten van afval - en afdekken met aarde (gecontroleerd storten) - zou koolstof blijvend vastgelegd kunnen worden. Dat gebeurt nu nauwelijks meer in de wereld. Alleen in oceanische sedimenten en in actieve hoogvenen wordt koolstof vastgelegd. Andere sinks van koolstof zijn er niet. Bossen spelen geen rol in het vastleggen van koolstof, alle verhalen over "groene longen' ten spijt.

Verbranden van afval heeft als enig voordeel dat het volume wordt verkleind, ongeveer met een factor tien. Voor het benauwde Nederland een belangrijk argument. Maar verbranden is duur. Daarnaast bestaat de kans dat er dioxinen in de rookgassen ontstaan. Afvalslak en vliegas vormen verder ongewenste reststoffen, vergelijkbaar met chemisch afval, omdat de zware metalen gemakkelijk uitloogbaar zijn geworden.

Maar één belangrijk nadeel wordt nooit genoemd: verbranding geeft nodeloos CO2. Hetzelfde geldt voor het verbranden van rioolslib, dat nu in Nederland overwogen wordt.

Het derde taboe rust op het uitvaren van overtollige mest in de oceanen. De Utrechtse geochemicus prof.dr. R.D. Schuiling, die het idee aan de hand doet, begrijpt wel dat er emotionele bezwaren aan kleven. Maar rationeel is er weinig tegen. In de open oceaan is er nauwelijks algengroei door gebrek aan nutriënten. Door het uitvaren van mest zal zich in deze "biologische woestijnen' een uitbundige algengroei voordoen, die CO2 vastlegt. Een gedeelte van deze algen en het plankton dat er van leeft, zakt uit naar het bodemsediment en vormt daarmee letterlijk een sink van koolstof. Volgens Schuiling kan de mest voor ƒ 3,00 per m³ uitgevaren worden, een tiende van de kosten die nu nodig zijn voor andere grootschalige mestverwerking.