Pastoraal genot

La gloire de mon père. Regie: Yves Robert. Met: Philippe Caubère, Nathalie Roussel, Julien Ciamaca, Didier Pain, Thérèse Liotard. In: Amsterdam, Alfa 1.

Het filmpubliek in Frankrijk en het grootste deel van de rest van Europa - met de opvallende uitzondering van Nederland - kwam in 1985 in groten getale kijken naar Claude Berri's Provençaalse tweeluik Jean de Florette / Manon des Sources. Het betekende ook de herontdekking in brede kring van het oeuvre van (toneel)schrijver Marcel Pagnol (1895-1974), wiens eigenhandig geregisseerde films vaak afgedaan worden als "verfilmd toneel'.

Het woord is ook heilig in het tweeluik dat Yves Robert in 1990 maakte naar Pagnols herinneringen aan zijn kindertijd, La gloire de mon père en Le château de ma mère. De pittoreske, soms op de rand van toeristische propaganda balancerende plaatjes van het zonovergoten Provençaalse landschap rond de eeuwwisseling worden immers bijeengehouden door een dominante vertellersstem, die in Pagnols letterlijke, ironische bewoordingen de anekdotes aan elkaar rijgt. Een gebrek aan trouw aan het origineel kan Robert in ieder geval niet verweten worden. Het eerste deel, La gloire de mon père, verleent een hartverwarmende, maar brave en schoolse terugblik op de voltooid verleden tijd van pastoraal genot op een steenworp van Marseille. De ouders van de jonge Marcel, een streng atheïstische schoolmeester (Philippe Caubère, ooit Mnouchkines Molière) en een haar leergierige zoon tegen een overmaat aan kennis beschermende moeder (Nathalie Roussel), hebben met zuster en zwager een zomerhuis gehuurd in de heuvels. De tocht erheen is zwaar en lang, maar tussen de vlinders, de stropers, de kruiden en het struikgewas doet de negenjarige aspirant-schrijver zijn liefde op voor de oer-Provence. Als het raam van de schamele woning 's morgens opengaat, walmt het geluk naar binnen.

De zelfspot van de verteller Pagnol dient enigszins gewantrouwd te worden. Met kokette bescheidenheid laat hij niet na te vertellen hoe hij als peuter, gestationeerd achter in de klas van zijn vader, al snel de leeskunst machtig werd. Ook is zijn aandeel in de onsterfelijke roem van zijn vader, het met één schot vellen van twee koningspatrijzen, niet te verwaarlozen.

Robert is een bekwame verteller, die op een aantal voor deze film cruciale punten (ervaring in het regisseren van kinderen, affiniteit met de wortels van de Franse folklore, een luchtig gevoel voor onthechte humor) precies over de juiste getuigschriften beschikt. La gloire de mon père is charmant, doorgaans onderhoudend en leerzaam, maar kiest vaak al te zeer voor de hand liggende effecten. De film is zeer geschikt om kinderen te laten zien hoe simpel, hard en ongecorrumpeerd het leven er een kleine eeuw geleden nog uitzag in Europa. Ook als geestelijke voorbereiding op een naar rustieke deugden strevende vakantie voldoet La gloire de mon père uitstekend.