Kernpunten Verdrag van Maastricht

Het Verdrag van Maastricht is een wijziging van de EG-verdragen in de richting van meer politieke, economische en monetaire integratie.

Enige hoofdpunten: De ondertekenaars verbinden zich in 1999 één munt en één centrale bank in te voeren. De lidstaten moeten tegen die tijd voldoen aan een aantal economische criteria en hun economisch beleid op elkaar hebben afgestemd. Er komt een "cohesiefonds' waaruit de economische ontwikkeling van de armere landen (Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland) wordt gestimuleerd. Er wordt een "Europees burgerschap' geïntroduceerd, met als voornaamste kenmerk dat onderdanen van de ene lidstaat die wonen in een andere lidstaat, daar stemrecht hebben bij regionale en Europese verkiezingen. Er komt een Europees sociaal beleid, betreffende arbeidsomstandigheden bij voorbeeld, voor alle lidstaten behalve Groot-Brittannië. De regeringen van de lidstaten werken samen aan een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, dat uiteindelijk zou kunnen uitmonden in een gemeenschappelijke defensie. De regeringen van de lidstaten gaan meer samenwerken op het terrein van binnenlandse zaken en justitie. Het Europese Parlement krijgt iets meer bevoegdheden. Uitgangspunt bij de besluitvorming in de Europese Unie is subsidiariteit: alle beslissingen worden zo dicht mogelijk genomen bij de burgers die ze betreffen. Dus als het kan op regionaal niveau, anders op nationaal niveau en pas als dat het meest effectief is op Europees niveau.