Kamermeerderheid wil minder bezuinigen op podiumkunst; Lagere korting door uitstel nieuw beleid en tv financieren; Ook Noorden hoeft van Tweede Kamer minder in te leveren

DEN HAAG, 4 JUNI. De regeringspartijen CDA en PvdA willen dat minister d'Ancona (WVC) de voorgenomen subsidieverlaging voor de podiumkunsten op 1 januari volgend jaar slechts voor de helft doorvoert. Dat zou voor de podiumkunsten neerkomen op een algemene subsidievermindering van 2,5 procent. De andere helft van de in het Kunstenplan voorgestelde subsidieverlaging - een korting van 12,5 procent op de inkomsten die volgens de minister is bedoeld als stimulans voor de kunstwereld om meer eigen inkomsten te verwerven - is volgens de twee partijen niet te verdedigen.

Ook zal volgens een Kamermeerderheid de kunst in het noorden van het land minder behoeven in te leveren dan de minister van plan is. De Kamer wil dat, zoals nu al het geval is bij de grote steden, de drie regio's buiten de Randstad voortaan convenanten afsluiten met het ministerie van WVC over aard en omvang van het kunstaanbod en afspraken maken voor een gemeenschappelijke financiering. De VVD vreest een bestuurlijke chaos bij de afhandeling van het nieuwe Kunstenplan als gevolg van de voortdurend veranderende opinies over de subsidievoorwaarden en de weigering van de kunstinstellingen om hun beleidsplannen daaraan telkens weer bij te stellen.

De politieke tegenstand tegen een deel van het beleid van d'Ancona bleek gisteren bij het begin van een tweedaagse hoorzitting in de Tweede Kamer over de in de kunstwereld alom heftig betwiste bezuinigingen en de "20-procentsmaatregel'. PvdA-woordvoerder Niessen zei na afloop dat een deel van de maatregelen die zijn partijgenoot d'Ancona voorstelt “niet rationeel” is. “Je kunt niet zeggen dat je het verwerven van eigen inkomsten bevordert als je daarvan 12,5 procent gaat inhouden. Het premiëren van iets wenselijks door een strafkorting in te voeren is een curieuze gedachte gebleken.”

Volgens Niessen, die constateerde dat een norm van 15 procent eigen inkomsten “algemeen geaccepteerd is”, zou eerst onderzoek moeten worden gedaan naar het effect van een verdergaande maatregel. Ook dient te worden bezien hoe die al naar gelang van de specifieke situatie van kunstinstellingen kan worden gedifferentieerd.

Het gat van ongeveer zes miljoen gulden dat door het niet-doorgaan van de subsidieverlaging ontstaat in de financiering van het Kunstenplan, wil Niessen voorlopig dichten door uitstel of gefaseerde invoering van nieuw beleid dat de minister voorstelt, zoals de instelling van een afnamefonds, of van alternatieve financiering. Zo zou volgens hem de tv kunnen meebetalen aan het extra geld dat de minister wil besteden aan de filmkunst. Een deel van de middelen die zo vrijkomen zou moeten worden besteed om de kunst in het Noorden te ontzien. Het Noord Nederlands Orkest zou in ieder geval in stand moeten worden gehouden zoals is afgesproken in het "Herenakkoord'.

Volgens Niessen is het in deze tijden van steeds doorgaande bezuinigingen al heel mooi dat de hoogte van het kunstbudget in stand blijft en is een verhoging van de kunstbegroting politiek onhaalbaar. Hij verweet de kunstwereld kortzichtigheid door alleen maar meer geld te willen en niet bereid te zijn tot verschuivingen binnen het budget. De Raad voor de Kunst pleitte maandag nog voor 12 miljoen gulden meer, de Federatie van kunstenaarsverenigingen wil 14 miljoen extra en Kunsten '92, een bundeling van meer dan zeventig kunstinstellingen, wil een verhoging met 40 miljoen.

Voorzitter De Ruiter van de Raad voor de Kunst laakte juist minister d'Ancona en de Kamerleden die niet durven te tornen aan het regionale orkestenbestel. “Door ons advies op dit punt niet over te nemen is er juist veel minder ruimte voor flexibel beleid.”

Niessen vindt een algemene korting van 2,5 procent op de subsidies voor de podiumkunsten “wel vervelend maar niet rampzalig.” De provinciale overheden, organisaties en kunstinstellingen aan wie Niessen en Beinema gisteren hun - nog als voorlopig geformuleerde - idee om af te zien van de 12,5 procentskorting voorlegden, dachten daar duidelijk anders over. Gerrit Korthals Altes, een van de woordvoerders van de Raad voor de Kunst, gaf na enig aandringen toe dat het afschaffen van dat gedeelte van het voorgenomen beleid “iets slechts iets minder slecht” maakt. “Maar dat klinkt al te positief.”

De Raad voor de Kunst pleitte voor algeheel uitstel van de "inkomensbevorderende' maatregelen en wil de komende vier jaar besteden aan studie van de mogelijkheden om die gedifferentieerd toe te passen.

De drie noordelijk provincies weigerden akkoord te gaan met de “kaalslag en leegloop in het noorden” als gevolg van fikse kortingen op het Noord Nederlands Orkest en het Noord Nederlands Toneel. De provinciale vertegenwoordigers weigerden in te gaan op de vraag wat ze het liefst behouden: “Wij kiezen niet tussen muziek en toneel, we willen muziek, toneel èn dans houden.”

Ook de provincies Overijssel en Gelderland klaagden over de onmogelijke keuzes die de Kamerleden hen voorlegden: “We mogen kiezen, het rechter been eraf of het linker.” De Limburgse gedeputeerde Kockelkorn: “U suggereert dat we blij mogen zijn dat ons hoofd er niet wordt afgehakt en daarom genoegen moeten nemen met het afzetten van een been.” En Rudolf Wolfensberger van het Werkgeversoverleg Podiumkunsten: “Hoe wil je de ramp over je heen hebben, dát is uw vraag!”

Niessen legde in zijn vragen veel nadruk op de “keiharde constateringen over het slechte functioneren van het gesubsidieerde toneel” in het rapport Berenschot, dat werd opgesteld op verzoek van de toneelgezelschappen. Daaruit blijkt dat met een investering van 5 ton de kassa-inkomsten met 1,5 miljoen zouden kunnen stijgen. Het Werkgeversoverleg Podiumkunst gaf toe dat in andere sectoren van podiumkunst de grenzen van publieksparticipatie en verhoging van toegangsprijzen nog niet geheel zijn bereikt, maar bezwoer Niessen dat er niet zoveel meer mogelijk is.

Het Werkgeversoverleg Podiumkunsten keerde zich tegen de instelling van een afnamefonds, omdat de schouwburgen het ook kunnen besteden aan het presenteren van vrije produkties.: “De aanbieders van kunst moeten worden ondersteund, niet de afnemers.” De Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen pleitte juist sterk voor het afnamefonds in de toneelsector: “Het is een beloning voor schouwburgen en gezelschappen die zich inspannen om meer publiek te werven.” Ook wil de VNT een verlaging van het hoge BTW-tarief voor de kunstsector.

Tijdens de hoorzitting bleek dat er nog geen enkel zicht is op een verhoging van de “schandelijk lage salarissen van dansers” omdat een potje daarvoor bij het ministerie van sociale zaken nu leeg blijkt. Raad voor de Kunst-voorzitter De Ruiter noemde de situatie bij de dansers “gruwelijk en niet te verdedigen” en dacht dat alleen minister Kok van Financiën hier nog uitkomst kan bieden. Jiri Kylian, artistiek leider van het Nederlands Danstheater, klaagde dat de Nederlandse overheid zijn gezelschap in het buitenland bij staatsbezoeken van koningin Beatrix wel inzet als cultureel ambassadeur van ons land, maar verder vindt dat het buitenland maar moet zorgen voor compensatie van de subsidieverlagingen.