Journalistiek gebaat bij eigen gedragscode

De voorzitter van een ziekenhuisbestuur krijgt een journalist aan de lijn die lucht heeft gekregen van conflicten binnen de medische staf. De volgende dag staat er een verhaal in de krant dat naar het oordeel van de voorzitter kant noch wal raakt. De journalist heeft er zijns inziens niets van begrepen. Feiten zijn uit de context gerukt, uitspraken verdraaid weergegeven en verder wemelt het verhaal van de onjuistheden.

Wat kan de geplaagde bestuurder doen? De redactie bellen en verzoeken om een rectificatie? De journalist ziet geen enkele aanleiding om te rectificeren, omdat hij de kritiek schromelijk overdreven vindt. Een ingezonden brief schrijven? Die kan door de redactie terzijde worden gelegd, worden ingekort of voorzien van een redactioneel naschrift waarin de journalist toch weer het laatste woord krijgt. Een klacht indienen bij de Raad voor de Journalistiek? Dan duurt het maanden voor de uitspraak volgt. Wordt de klacht gegrond verklaard, dan zegt de Raad daarmee in feite dat de journalist onzorgvuldig handelde en dat de redactie een weerwoord of rectificatie had behoren te plaatsen. Een daadwerkelijke publikatie heeft op dat moment doorgaans niet veel zin meer. Naar de rechter stappen? Dat brengt een hoop rompslomp en onkosten met zich mee. Bovendien bestaat het risico dat de kwestie opnieuw in de publiciteit zal komen.

Wanneer het aan het Europees Parlement ligt, krijgt de burger, ook in ons land, binnenkort de beschikking over een ander middel, namelijk het "recht van antwoord'. De media-commissie van het EP stemde enkele weken geleden in met een resolutie over persvrijheid en pluriformiteit. Hierin zijn niet alleen bepalingen opgenomen over persconcentratie, maar ook een pleidooi om in de hele EG het recht van antwoord in alle media uniform te regelen. Volgens A. Oostlander, lid van de media-commissie, gaat de discussie inmiddels al niet meer over de vraag óf het recht van antwoord moet worden ingevoerd, maar slechts nog over de manier waarop dat moet worden geregeld.

De journalistiek was het bij monde van de Nederlandse Vereniging van Journalisten hartgrondig eens met het pleidooi voor persvrijheid en pluriformiteit en tegen verdergaande mediaconcentratie, maar volstrekt niet met het voornemen een recht van antwoord in te voeren en een journalistieke code op te stellen. In ons land volstaat het huidige systeem van zelfregulering via de Raad voor de Journalistiek mits dit "college van opinie' door de gehele mediawereld voldoende serieus wordt genomen. Zelfregulering door de media verdient volgens de NVJ verre de voorkeur boven overheidsregulering.

Opmerkelijk in de discussie is dat in pleidooien tegen invoering van het recht van antwoord gewaarschuwd wordt voor "Belgische toestanden' terwijl niet wordt gerept over "Duitse toestanden'. In beide landen bestaat namelijk een, zij het onvergelijkbaar, recht van antwoord. Frankrijk, België en nog enkele andere landen kennen het "droit de réponse'. Wie in een publikatie wordt genoemd of herkenbaar aangeduid heeft het recht op plaatsing van een reactie waarvan men de inhoud zelf bepaalt. Het kan gaan om feitelijke onjuistheden maar ook om meningen. De vraag of de gewraakte publikatie onrechtmatig was, is niet aan de orde. Evenmin de vraag of de reactie meer waarheden bevat dan het artikel waarop wordt gereageerd. Voorwaarde is wel dat het antwoord de belangen van derden niet schaadt. Het mag maximaal de dubbele lengte hebben van het oorspronkelijke artikel en moet op dezelfde plaats worden gepubliceerd.

De term "Belgische toestanden' wordt wel gebruikt om te herinneren aan de praktijken van oud-minister Van den Boeynants. Deze maakte er een gewoonte van zo uitvoerig mogelijk te reageren op elk hem onwelgevallig artikel over zijn beleid. Uiteindelijk leidde dit tot wat men zelfcensuur zou kunnen noemen bij de Belgische pers. Die gaf de moed op om de daden van de minister kritisch te blijven volgen omdat een stortvloed van voor de lezers volstrekt oninteressante correspondentie van de minister en zijn staf het gevolg was van elke publikatie over de bewindsman.

Toch staan Belgische journalisten en mediawetenschappers in beginsel niet negatief tegenover het recht op antwoord, hoewel het in de praktijk wel eens lastig kan zijn en niemand ontkent dat er incidenteel misbruik van wordt gemaakt. De bezwaren zijn meer van praktische dan van principiële aard; de journalistiek vindt die dubbele lengte wel wat teveel van het goede. Bovendien is het natuurlijk ook zo, dat naarmate een blad zich kritischer durft opstellen tegenover autoriteiten, de hinder van het antwoordrecht groter zal zijn.

Duitsland kent een heel ander antwoordrecht, het per deelstaat vastgelegde "Gegendarstellungsrecht'. Hier dient men zich in zijn antwoord te beperken tot een reactie op de gepubliceerde feitelijkheden. De reactie zelf moet ook van feitelijke aard zijn en mag de omvang van het gewraakte artikel niet overschrijden. Ook in Duitsland ervaart de pers dit middel, hoe hinderlijk soms ook, als een kwestie van fair play. De burger kan zich zo verdedigen tegen zijns inziens onjuiste mediapublikaties. In de praktijk blijft het aantal "Gegendarstellungen' beperkt omdat de media in veel gevallen aan de onstane onvrede tegemoet kunnen komen, bijvoorbeeld door een ingezonden brief te plaatsen.

Hoe kwalijk zou het invoeren van een antwoordrecht in de Nederlandse media zijn? Kranten voeren doorgaans een ruimhartig beleid in het aanbieden van een weerwoord, soms in de vorm van een follow-up, doorgaans in de vorm van ingezonden brieven. Meer moeite lijkt de pers te hebben met het op eigen initiatief plaatsen van een rectificatie en nog meer met het publiceren van uitspraken van de Raad voor de Journalistiek. Het valt dan ook op hoe journalisten (ook nu weer) dreigende ongewenste ontwikkelingen trachten te pareren door met enige trots te wijzen op het zelfregulerend vermogen van de Raad, terwijl men op andere momenten in journalistenkringen smalende opmerkingen kan horen over "ons quasi-tuchtcollege'.

Het aantal klachten blijft beperkt tot ten hoogste dertig per jaar, de bereidheid van sommige media om mee te werken aan de behandeling van klachten is niet groot en publikatie van de uitspraken blijft vaak noodgedwongen beperkt tot de vakpers omdat de ter verantwoording geroepen media daartoe niet te bewegen zijn. Terecht zegt de NVJ dat een journalistiek die het antwoordrecht niet wil, wél serieus werk moet maken van de bestaande vormen van zelfregulering.

Of een recht van antwoord gewenst is hangt mede af van de bereidheid van journalisten om hun publiek serieus te nemen, juist wanneer burgers klachten hebben over onjuiste en/of tendentieuze mediapublikaties. Die bereidheid lijkt mij op dit moment groot genoeg om een antwoordrecht overbodig te oordelen. Mocht invoering daarvan toch onvermijdelijk zijn, dan valt te hopen dat de Europarlementariërs niet alleen in België of Frankrijk, maar zeker ook in Duitsland hun licht gaan opsteken, al was het maar om te ontdekken welke beperkende bepalingen nodig zijn om media tegen al te schrijflustige burgers te beschermen.

De resolutie van het Europees Parlement spreekt ook over het opstellen van een gedragscode voor journalisten en uitgevers. Beide beroepsgroepen zouden zelf voorstellen ter invulling daarvan moeten doen. De NVJ heeft al laten weten mordicus tegen dit voorstel te zijn; de Nederlandse journalistiek zit volstrekt niet te wachten op een gedragscode. Ook op dit punt is enige ambivalentie de journalistiek niet vreemd. Op het formuleren van een code wordt doorgaans afwijzend gereageerd, terwijl op andere momenten onmiddellijk gewezen wordt op de bestaande journalistieke code, bijvoorbeeld wanneer journalisten weigeren de identiteit van hun bron te onthullen en ze zich daarbij beroepen op het in die code vastgelegde beroepsgeheim.

In feite is zo'n code, niets meer of minder dan een document waarin de beroepsgroep zelf de plichten en gedragsregels formuleert waaraan zij zich gebonden acht terwille van het goed vervullen van haar maatschappelijke taak. Wat in een code wordt vastgelegd is het extract van onder collegae levende opvattingen over wat in de beroepsuitoefening behoort te worden gedaan of nagelaten. Hoe zou zo'n code die enkel formuleert wat reeds als bindende norm beleefd wordt, een bedreiging van de journalistieke vrijheid kunnen zijn? Hebben de pleitbezorgers een code voor ogen die journalisten voorschrijft hoe zij zich moeten gedragen, dan is er sprake van een andere situatie.

Van zelfregulering is geen sprake meer. Bovendien worden nog andere obstakels zichtbaar. Welke normen worden door alle journalisten bij alle media als bindend voor hun handelen beschouwd? Bovendien is de journalistiek geen beschermd beroep, hetgeen de vraag oproept wat er kan gebeuren wanneer iemand de gedragsregels schendt of, duidelijker nog, wanneer een redactie kenbaar maakt dat men met een gedragscode niets te maken wil hebben. Wordt overtreding gesanctioneerd? Hoe en door wie?

Een door de beroepsgroep zelf ontwikkelde en vrijwillig aanvaarde code kan een zinvol instrument van zelfregulering zijn en een uiting van een serieuze vak-ethiek, een van bovenaf opgelegde en dus voor alle beroepsbeoefenaren bindende code is dat zeker niet.

Foto: Kort geding tegen Privé met op de voorgrond de hoofdredacteur van het blad, Willem Smitt. (Foto Bert Verhoeff)