Internationaal netwerk moet stammenstrijd beslechten; Mijn Europeaan is ouder dan de jouwe

Homo erectus ontstond ongeveer 1.600.000 jaar geleden in Afrika. Vermoedelijk trok hij eerst naar het Oosten en later naar Europa. Hoe verspreidde deze mens zich over ons werelddeel?

Tien jaar lang is de vindplaats van Isernia (Italië) gehouden voor het eerste bewijs van menselijke bewoning van Europa. De sporen zouden 700.000 jaar oud zijn. Maar op een congres in Frankfurt afgelopen december presenteerde een groep Russisch-Duitse paleontologen een kaak uit de Kaukasus, die zou hebben toebehoord aan Homo erectus. De vinders claimden een ouderdom van 1.6 tot 1.5 miljoen jaar. Dan gaapt er tussen de Kaukasus en Isernia dus een "lege' ruimte van 1.1 miljoen jaar.

Zeker is dat na 700.000 BP (before present) Europa aaneengesloten bewoond is. Diverse sites liggen verspreid over Europa met leeftijden variërend tussen 700.000 tot 500.000. Over deze periode bestaan echter nog veel onzekerheden.

Na 500.000 BP is er meer zekerheid. Goed gedocumenteerd zijn de vindplaatsen Boxgrove (Engelse zuidkust) met een ouderdom van 500.000-450.000 BP en Cagny (Noordwest-Frankrijk) met een leeftijd 400.000-300.000 BP, Bilzingsleben (voormalige DDR) 350.000-300.000 BP en Belvédère (Maastricht) 250.000 jaar oud.

Daarna verschijnt de Neanderthaler in Europa. Ook van hem zijn een aantal vindplaatsen bekend en bestudeerd. Op zijn beurt wordt hij tussen 45.000 en 35.000 afgelost door Homo sapiens sapiens, de moderne mens.

Men zou verwachten dat er, beginnend bij 700.000, een goeddeels doorlopend verhaal verteld kunnen worden over de kolonisatie van Europa. Maar dat valt tegen.

Spraakverwarring

In de eerste plaats wordt het zicht op de oorsprong van de mens bemoeilijkt door een stammenstrijd. Het ene kamp hangt de zienswijze aan dat Homo sapiens sapiens is ontstaan uit de erectus-populatie die 1 miljoen jaar geleden over de wereld uitzwierf. De verspreide Homo erectus groepjes zouden zich regionaal hebben ontwikkeld tot de huidige bevolkingsgroepen met hun verschillende uiterlijke kenmerken. Er zou een voortdurende uitwisseling van genen en cultuur hebben plaatsgevonden waardoor zich de geleidelijke veranderingen voordeden die uiteindelijk overal, en min of meer gelijktijdig, het ontstaan van Homo sapiens sapiens tot gevolg hadden. De aanhangers van deze multiregionale continuïteitstheorie nemen een geleidelijke modernisering waar als ze naar de fossiele schedels van mensachtigen kijken.

Op basis van dezelfde fossielen meent de - veel grotere - tegenpartij echter dat de regionale Homo erectus-clans zich juist heel divers ontwikkelden. Hier heerst de veronderstelling dat veranderingen en soortvorming in isolatie optreden. Men wijst in dit verband op de rol van de IJstijden. Dit kamp stelt ook dat er morfologisch een duidelijke breuk aanwijsbaar is tussen Homo sapiens sapiens en wat daaraan vooraf ging.

Omdat vondsten van modernere schedels in oudere posities dan primitievere niet te verklaren zijn met het multiregionale continuteitsmodel, hebben zij een alternatieve theorie opgesteld. Er moest op een later tijdstip een tweede immigratie-golf uit Afrika zijn gekomen die met de afstammelingen van Homo erectus een concurrentieslag om het bestaan aanging. In dit vervangingsmodel zette Homo sapiens sapiens zijn voorgangers aan de kant. De bekendste voorstander van deze denkbeelden, Chris Stringer van het Londense Natural History Museum, ziet de tweede exodus uit Afrika ongeveer 100.000 jaar geleden zijn beslag krijgen.

Zich baserend op hún interpretatie van de fossielen loopt voor de multiregionalisten de menselijke afstammingslijn in Europa van Homo erectus via Vroege of Archaïsche Homo sapiens en Homo sapiens neanderthalensis door naar Homo sapiens sapiens. Milford Wolpoff, hoogleraar aan de University of Michigan en de luidruchtigste verdediger van het multiregionale model, vindt "dat hele erectus-gedoe' zelfs onzin. Voor hem is er na Homo habilis (2.5 miljoen jaar, eersteling van het geslacht mens) maar één soort: Homo sapiens.

Omgekeerd menen Stringer en de vervangingsschool dat het nog lang niet vaststaat of Homo erectus wel in Europa is geweest. Zij ontdekken in de betrokken Europese skeletdelen geen erectus kenmerken, wel karakteristieken van een andere soort: de vroege Neanderthaler. Zij hebben er geen moeite mee deze mens de Vroege of Archaïsche Homo sapiens te noemen. Het ljkt hier allemaal dicht bij elkaar te komen maar er zit een gedachtenwereld van verschil tussen.

Op de ogenschijnlijk simpele vraag: wie waren de eerste Europeanen? valt nu eigenlijk geen behoorlijk antwoord te geven. Wie dat toch doet schaart zich automatisch achter een van beide standpunten.

Dateringen

Een tweede moeilijkheid vormt het problematische karakter van de dateringen van Europese vindplaatsen. Dat heeft de volgende oorzaken. De marges van de dateringen zijn dikwijls te groot. De resultaten van de gebruikte dateringsmethoden zijn verschillend van kwaliteit en ook anderszins moeilijk vergelijkbaar. "Oude' dateringen worden zelden gecontroleerd met nieuwe, verfijnder methoden. Er is onvoldoende aandacht voor de consequenties van processen van vindplaatsvorming (site formation) bij de datering. En er bestaat de neiging om de ouderdom te overschatten: wie wil er nu niet de oudste Europeaan in huis hebben?

Het is denkbaar dat de laatste twee factoren de datering van de kaak uit de Kaukasus op 1.6 tot 1.5 miljoen jaar hebben beïnvloed. Homo erectus kan natuurlijk niet én in Afrika ontstaan én tegelijkertijd in de Kaukasus aanwezig zijn. Tenzij de theorie van Afrikaanse herkomst verkeerd is. Maar daar ziet het voorlopig niet naar uit.

Bronnenkritiek

Een volgend probleem ligt op het gebied van onderzoekstradities. Zwartwit gesteld: de Angelsaksische benadering van een vindplaats is heel anders dan de continentale. Het verschil zit niet in de opgravingsmethoden en technieken maar in de interpretatie.

In Frankrijk of Duitsland gaat men er dikwijls zonder al te veel bedenkingen van uit dat wat op een vindplaats bij elkaar ligt, in ruimte én tijd ook bij elkaar hoort. Onder invloed van Lewis Binford en zijn gehamer op bronnenkritiek accepteren Engelse en Amerikaanse onderzoekers zoiets niet voor het werkelijk is aangetoond. Voor hen moet het bewezen worden.

Een voorbeeld. In Bilzingsleben, een zeer rijke vindplaats van 350.000-300.000 jaar oud in de voormalige DDR, ligt op een bepaalde plaats een groot aantal dierenbotten bijeen. Voor paleontoloog Dietrich Mania is dat allemaal zonder meer jachtbuit. Maar een Engelse collega moet dat beredeneerd zien aan de hand van een analyse van snijsporen, van diersoorten, hun leeftijdsopbouw en de anatomische verdeling van de botten. Want het risico bestaat dat de opeenhoping werd veroorzaakt door een rivier die materiaal uit een groot gebied (in ruimte én tijd) bij elkaar spoelde.

Een ander voorbeeld uit deze vindplaats. Mania houdt merkwaardige krassen op botten die hij uit een kalkafzetting opgroef voor opzettelijke graveringen. De "Angelsaksische' interpretatie van dezelfde krassen is echter dat het waarschijnlijk slechts om sporen van sediment-druk gaat.

Dit verschil in interpretatie veroorzaakt kortom een diepgaand verschil in opvattingen over culturele ontwikkelingen.

En vervolgens is er een schaalprobleem. Vindplaatsen liggen dun gezaaid. De eerste Europeanen waren met weinigen en de IJstijden hebben een groot deel van wat zij achterlieten opgeruimd. De moeilijkheid is nu dat deze mensen op een heel andere geografische schaal leefden dan de huidige prehistorici en paleontologen opereren. Men kijkt in de regel niet verder dan de regio direct om de vindplaats, zelden over de landsgrenzen. Dit beperkt de waarde van uitspraken over het Paleolithische bestaan aanzienlijk omdat het immers gaat om zwervende groepen jagers-verzamelaars.

Het kan voorkomen dat twee paleontologen ieder aan hun kant van de grens een verblijfplaats opgraven van dezelfde groep oer-Europeanen. Bij wijze van spreken zonder het van elkaar te weten - de internationale communicatie stelt weinig voor.

Al met al is het geen wonder dat veel onderzoekers nogal kopschuw reageren op de vraag eens een schets te geven van de ontwikkelingen in het Paleolithicum. Dr. W. Roebroeks van het Leidse Instituut voor Prehistorie houdt het liever ook op algemene termen.

"De datering van de vroegste aanwezigheid, van de Kaukasus en van Isernia, is onzeker. Maar als de mensen eenmaal in Europa zijn aangekomen zitten ze vrij snel noordelijk. Ik denk dat Noord-Europa vanaf 500.000-400.000 BP bewoond is geweest. Op z'n minst in de warme tijden. Na 400.000, zeker na 300.000 liepen hier mensen rond die het in vrijwel alle klimatologische omstandigheden uithielden, ook op de ijskoude droge steppen van de ijstijden. Ze waren er niet wanneer het extreem koud was, maar konden voor de rest alle situaties aan. Deze mensen trokken rond in grote gebieden. Om daarin te overleven hebben zij vermoedelijk beschikt over een systeem waarmee ze de ervaringen van hun voorouders, die van henzelf en de nodige geografische kennis aan elkaar konden doorgeven. Of ze sociale contacten met andere groepen onderhielden is nog een vraag. Gejaagd werd er, maar over de manier waarop dat in z'n werk ging wordt heel verschillend over gedacht.'

"Verder kunnen we ons nu een behoorlijke voorstelling maken van de natuurlijke omgeving tijdens en tussen de ijstijden. Maar een gedetailleerde beschrijving van het leven in die periode? Nee, zover is het nog niet. Het is allemaal erg mager, dat geef ik grif toe. Bovendien is er een statisch beeld ontstaan van de vroege Europeanen. Zo alsof die mensen en hun cultuur honderdduizenden jaren niet veranderden... totdat wij moderne mensen kwamen en met ons pas de vooruitgang begon. Ik geloof daar niet in. De laatste jaren zie je gelukkig hier en daar enkele onderzoekers die proberen de vroege mensachtigen niet langer als "natuurlijke slaven' of "calculerende magen' te zien, maar als personen die hun leven vormgaven door sociale factoren, in omgang met anderen'.

ESF netwerk

In Leiden zijn verleden jaar initiatieven genomen om het onderzoek naar de vroege bewoning van Europa te verbeteren. Bij de European Science Foundation (ESF) werd een subsidie aanvraag ingediend voor de opbouw van een internationaal netwerk voor Pleistocene archeologie. Naast uitwisseling van informatie en coördinatie van onderzoek gaat dit netwerk zich in voorlopig drie congressen bezighouden met een evaluatie van de vindplaatsen uit het Oud- en Midden-Paleolithicum, een studie naar de klimatologische en ecologische omstandigheden tijdens de vroege bewoning van Europa en evaluatie van verschillende kolonisatie-modellen waarin meegenomen de resultaten van twee congressen.

Daarnaast werd op het Instituut voor Prehistorie te Leiden met steun van de Akademie van Wetenschappen de paleontoloog Van Kolfschoten aangesteld. Hij gaat alle belangrijke vindplaatsen in Europa op een uniforme manier dateren en ecologisch interpreteren. Voor de dateringen gebruikt Van Kolfschoten een methode gebaseerd op veranderingen in kiezen van kleine knaagdieren. Deze werkwijze moet een relatieve chronologie van de Europese sites opleveren.

Inmiddels heeft de ESF een startsubsidie toegekend voor de opbouw van het internationale studieverband. Roebroeks, secretaris van het netwerk, zet een kanttekening bij de voorspoedige gang van zaken: "Het is natuurlijk hoog tijd dat dit allemaal gebeurt, maar ik ben benieuwd naar de kwaliteit van de komende discussie. Sommigen moeten nu hun vindplaats gaan verdedigen, moeten met de billen bloot. Neem het Italiaanse Isernia. Paleomagnetisch werd Isernia gedateerd op ouder dan 700.000. De ommekeer ligt boven de vindplaats. Nu zijn de monsters ten behoeve van de datering niet genomen van de vindplaats maar verderop, uit een afzetting waarvan men aannam dat hij boven de vindplaats ligt. Die handelwijze is echter nooit gepubliceerd. Over dit soort dingen wordt alleen gepraat in de roddelcircuits. O zo gevoelig ligt dat. Maar nu moet het boven tafel komen'.