Het recht op een zus

Le petit criminel. Regie: Jacques Doillon. Met: Gérald Thomassin, Richard Anconina, Clotilde Courau. Amsterdam, Cinecenter.

Jacques Doillon heeft een aantal vreselijke films op zijn naam, films die vooral irriteerden door de pretentieuze hysterie van actrices, door Doillon opgewekt en vervolgens ingebed in een hologig, kwasi psychologiserend verhaaltje. Des te verrassender is Le petit criminel, zijn nieuwste film. Geen vrouwelijke hoofdpersoon om zich op uit te leven, maar een opgeschoten jongen van een jaar of vijftien. Zo'n kind is veel weerbarstiger van psychologie en die uitdaging deed Doillon goed.

Het uitgangspunt is een nare huurkazerne in een schriele buitenwijk aan de Zuidfranse kust. Een flat waar het nooit gezellig zal worden, bewoond door een moeder en twee zoons. Haar jongste dochtertje is drie jaar eerder ondergebracht bij een pleeggezin. Haar jongste zoon, bijna groot maar nog net een kind, droomt van hereniging met het lieftallige wezentje, maar het is duidelijk dat het daar nooit van zal komen. Een gezinsleven zit er voor hem niet in. Voor ouderlijk zorg is in dit milieu geen tijd, ook niet voor normale blijk van affectie. Hoe jong je ook bent, je zult jezelf moeten redden. Dat het leven hard is, spreekt voor zich, dat alle energie moet worden besteed aan de dagelijkse waarborg van het voortbestaan ook.

De telefoon rinkelt en de jongste zoon neemt op. Een onbekende vrouwenstem beweert dat ze zijn zuster is, vraagt hem haar telefoonnummer aan hun moeder door te geven en hangt weer op. We zien haar woorden rondwoelen op het gladde jongensgezicht met de afwerende ogen. Alles wat hij aan gevoel tekort is gekomen, duikt op, samen met duistere woede tegen zijn moeder. Van iemand die je ene zusje laat weghalen en een andere zus verzwijgt, heeft hij niets te verwachten, realiseert hij zich. Alleen die onbekende grote zus zal zijn verlangen naar geborgenheid kunnen bevredigen. Ik zoek haar op, we halen ons kleine zusje en dan gaan we met zijn drieën gezellig ergens wonen, zoiets denkt hij en hij gaat op pad.

Gezien Doillons andere films had nu een opgewonden melodrama kunnen dreigen. Maar doordat het hier gaat om het gevoel van een intelligente, zij het weinig ontwikkelde, jonge jongen, werd hij gelukkig gedwongen een andere weg in te slaan. Deze jongen is het type niet om te zuchten en te huilen, en over de bekende, meestal flodderige, Doillon-woordenvloed beschikt hij evenmin. Koddig en boos overvalt hij een parfumerie en vervolgens gijzelt hij per ongeluk een rechercheur. Niet omdat hij een slecht mens is, maar hij wil familie. Dat is toch een rechtvaardige eis? Hij moet en zal die zuster vinden. Heeft hij haar alleen maar gezien, dan zal zijn leven anders worden, dat weet hij zeker.

Doillon is zo verstandig geweest Le petit criminel hard maar aandoenlijk en bijna documentair te draaien, terwijl hij sfeer en tempo liet leiden door het ongekunstelde spel van Gérald Thomassin als de jongen. Die geeft gloed aan de stille wanhoop van de, niet kwaadwillende, rechercheur (een mooie rol van Richard Anconina), een man die zelfs onder bedreiging van een onhandig vastgehouden pistool het beste met het jong blijft voorhebben. De manier waarop Thomassin zich overgeeft aan zijn personage maakt ook de onverwachte solidariteit van de weergevonden zus aannemelijk. Even dreigt Doillon haar personage te vergiftigen met de hysterie waar vrouwen volgens hem vanzelfsprekend mee reageren, maar een scène verder laat hij haar woorden en haar motoriek sporen met de hoekige straat-agressiviteit van het onbekende broertje en worden wij vanzelf meegesleept in de maalstroom van hun band des bloeds.