Handen thuis

Weten wat je moet doen is moeilijk, maar weten wat je laten moet is een kunst. Bij ons thuis heet het ”doodgebest', als iemand een stukje heeft geschreven - of een borduurwerkje gemaakt, noem maar wat - en àl te veel zijn best heeft gedaan, zodat het voorwerp van zijn zorg onder de zorgen is bezweken. Wie kent altijd het moment waarop hij zijn handen thuis moet houden? (Ik mis een kernachtig equivalent van de Engelse uitdrukking: to leave a good thing alone.)

Meestal gaat het om een trouwhartig falen. Een overmatig versierde taart heeft iets aandoenlijks, en het zoveelste onleesbare essay in een letterkundig tijdschrift, nou ja. Niemand heeft er verder last van. Maar er zijn sferen, waar dat doodbesten tot de basisvoorwaarden voor maatschappelijk aanzien schijnt te behoren. Niet doodbesten in het kleine, maar grootscheeps onzin op elkaar stapelen, zodat de zaak waar het eigenlijk om zou moeten gaan, geheel aan het oog wordt onttrokken. Zoiets als de modereportages in Avenue. Neem de opera.

Opera, vijftien jaar geleden nog een truttige vorm van amusement voor brede lagen (een nette manier om te zeggen dat de postbode het ook mooi vond), is een grensverleggende kunstvorm geworden. Of de postbode nog komt kijken is irrelevant, want de trendzetters hebben het verschijnsel in hun greep gekregen - de mensen, kortom, voor en door wie de modereportages in Avenue worden gemaakt. Eigentijdse opera-ensceneringen hebben daar dan ook verbluffend veel van weg. Epateren is het hoogste doel. Inhoud? Schoonheid? Ben je gek, dat hebben we thuis ook. Effecten, daar gaat het om.

Opera is een makkelijke prooi voor die ontwikkeling. Het is toch al een beetje een dubieus genre, zwevend tussen kunst en kitsch en vol implausibele wendingen. De opera La damnation de Faust van Hector Berlioz, waarvan de enscenering tot de briljantste successen van het Muziektheater van de laatste jaren wordt gerekend, is daar een aardig voorbeeld van. De hele dramatische staalkaart zit er in, van een militaire mars tot vrome koorzangen, zoete liefdesduetten, boertige drinkliederen, gloedvolle aria's, balletten, spot, sentiment, noem maar op. Schitterende muziek - en juist wegens de uitputtende afwisseling van sferen en stijlen in de eerste halve eeuw na zijn ontstaan (in 1846) altijd concertant uitgevoerd, zonder decors, zonder kostuums. In de jaren dertig, toen de geprojecteerde decors waren uitgevonden, durfde men het aan en maakte het stuk furore aan de Parijse Opéra.

De Duitse regisseur Harry Kupfer mocht drie jaar geleden de eerste Nederlandse Damnation op touw zetten, een enscenering die vorige maand werd herhaald. Kupfer is, zegt men, een man van de jaren zestig, iemand van de Brechtiaanse toneeltraditie - maar vervlogen zijn de tijden toen dat betekende dat alle spelers in jute zakken of vrijetijdskleding optraden. Kosten noch moeite, is Kupfers devies. Elektrische wolken, openbrekende coulissen, onthoofde etalagepoppen, rook, vuur, hele mensenmenigten in flamboyante, doch snel wisselende uitdossingen, er komt geen eind aan. De materiële aankleding van Kupfers Faust viel echter in het niet bij de inhoudelijke opsmuk. Duimendik lag de symboliek er op, talloos waren de dubbele bodems, en daarbij kwam een alles verzengende ironie. Alsof iemand je in zijn huis noodt voor een kopje koffie en vanaf het eerste moment op zijn handen loopt, naar Rome belt, de vloer dweilt, met de buren ruziet, huilt, zich uitkleedt, met deuren slaat... langzamerhand wordt die koffie geheel irrelevant en je wilt alleen nog maar vluchten.

Niets mag zichzelf zijn in zo'n enscenering. Waar de componist Hongaarse boeren opvoert maakt de regisseur er decadente achttiende-eeuwers van, niet in een puszta maar in een schouwburg, en ze kijken de zaal in - wie is nu het publiek, wie de acteurs? Het goedkoopste ”vervreemdingseffect' sinds de uitvinding van de travestie. Marguérite, symbool van kinderlijke onschuld, wordt in een poppenhuis gepropt. Zangers kruipen aldoor over de grond omdat hun gekweldheid uit de muziek alleen misschien niet duidelijk genoeg blijkt. Zingt Mefisto Faust in een zoete slaap, dan zit hij meteen aan zijn broek te hannesen om het sensuele aspect van de scène ook de laatste Stopera-bezoeker door de strot te duwen. En aan het eind blijkt het smeltende slotkoor, ocharm, uit een ouderwetse koffergrammofoon te komen. “De lucide opheffing van het verschil tussen waan en werkelijkheid” noemen enthousiaste critici dat.

Aan kaartjes voor Kupfers Faust viel nauwelijks te komen, zo mooi vond iedereen het. Merkt niemand dan de verwatenheid van zo'n voorstelling op? Zien de cultuurpredikanten, mopperaars op de opkomende Disney- en hamburgercultuur, dan niet dat deze schijnbaar diepzinnige kermis net zoiets is? Kennelijk niet. Opera vervult in het culturele leven dezelfde rol als een luchtvaartmaatschappij voor jonge Derde-wereldlanden: onmisbaar voor het zelfrespect. Dus kijkt de bezoeker tevreden toe hoe de briefjes van duizend als het ware voor zijn ogen verscheurd worden. Hij vaart mee op het vlaggeschip, ergens moet zoiets kunnen, laten dan één keer de kranen van goud zijn, toch?

Ze doen maar. Berlioz' muziek blijft goed, we wachten wel op betere tijden om haar eens onder gunstige omstandigheden te beluisteren (al is de gedachte aan forse strafkortingen op het budget nauwelijks te onderdrukken). Wat zou de gemiddelde bezoeker liever hebben, elektrische wolken boven het toneel of goedkopere kaartjes? Misschien het eerste wel. Smaak is zoiets betrekkelijks.

Maar kort na deze voorstelling hoorde ik dat de Stichting Kameropera Nederland, die met decors van fleurige lappen en zilverpapier door het hele land alleraardigste voorstellingen zingt en speelt, waarschijnlijk uit geldgebrek zal moeten verdwijnen. En dat heeft toch iets schrijnends.