H.A. van der Borg. Vroedvrouwen: beeld en beroep. ...

H.A. van der Borg. Vroedvrouwen: beeld en beroep. 194 blz.

Promotie 26 mei. Univ. van Amsterdam. Promotores prof.dr. A. Blok en prof.dr. N.A. Wilterdink.

Als het over geboorteregeling, zwangerschap en bevalling gaat, is Nederland in Europa in alle opzichten echt een buitenbeentje. Heel lang hadden we zo ongeveer de hoogste geboortecijfers (meer dan 20 per 1000 van de bevolking) en in minder dan tien jaar tijd gingen we behoren tot de landen met de laagste (zo'n 12 per 1000). Dat is alweer sinds 1975 zo en in de tussentijd is het ook steeds mogelijk gebleken het aantal ongewenste zwangerschappen en het aantal abortus op een zeer laag niveau te houden. Nederland is al jaren wereldrecordhouder anticonceptiegedrag.

Komt het tot een (gewenste) zwangerschap en een geboorte, dan is het beeld opnieuw bijzonder. In geen enkel modern Westers land worden kinderen zo vaak thuis geboren en hebben gynaecologen zo weinig met bevallingen te maken. Weliswaar wordt al meer dan 40% van de verlossingen (wat een raar begrip is dat toch) door gynaecologen geleid, maar het "marktaandeel' van de verloskundigen is vrijwel even groot. Huisartsen doen nog maar weinig bevallingen, gemiddeld 3 per jaar tegenover gemiddeld 90 per verloskundige. De meeste bevallingen vinden poliklinisch plaats, maar ieder jaar zijn er toch nog zo'n 65.000 kinderen, die thuis geboren worden. Dat is toch altijd nog zo'n 35% van alle nieuwgeborenen.

In veel landen, zeker in de Verenigde Staten en Duitsland, geldt thuis bevalllen als primitief en de hulp van alleen een verloskundige als gevaarlijk. De cijfers wijzen anders uit: de zuigelingen- en de kraamvrouwensterfte liggen in Nederland op een niveau, dat door een land als de Verenigde Staten, waar de bevalling een zaak is geworden voor de medische specialist in het ziekenhuis, bij lange na niet wordt gehaald. Merkwaardig genoeg echter is er in Nederland, ondanks dat gunstige verschil, toch sprake van een sluipende medicalisering van zwangerschap en bevalling, terwijl in de ons omringende landen onder druk van de vrouwenbeweging nu juist een beweging op gang komt in de richting van een meer "natuurlijke' bevalling. Met "natuurlijk' wordt een ideologisch opgeklopte versie bedoeld van de traditionele Nederlandse opvatting dat een zwangerschap een normaal fysiologisch proces is, dat wel goed begeleid, maar in principe zo min mogelijk verstoord moet worden. Als het even kan, moet de verlossing dan ook niet worden geforceerd, maar afgewacht. De sfeer eromheen is in Nederland dan ook eerder behaaglijk-familiair dan bezorgd-klinisch, wat ook tot uitdrukking komt in de aanwezigheid van de vader bij de geboorte van het kind. Buiten Nederland is dat nog weinig gebruikelijk, wat in ieder geval wel het voordeel heeft dat de kraamvisite minder kans loopt verrast te worden met een beverig videootje van de ontsluiting.

De rol van de ruim duizend verloskundigen bij zwangerschap en bevalling mag in Nederland prominent zijn, onomstreden is zij niet en ongemakkelijk vaak wel. Verloskundigen worden - zeker in vergelijking met huisartsen en gynaecologen - slecht voor hun vak betaald en al hebben zij ook wettelijk het primaat in de normale verloskunde, hun positie dreigt toch langzaam maar zeker steeds weer opnieuw te worden uitgehold. De voortdurende stijging van het aantal medische indicaties bij bevallingen versterkt de positie van de gynaecoloog en van het ziekenhuis. Verloskundigen mogen niet zelf direct naar de gynaecoloog verwijzen, dat moet weer door de huisarts gebeuren, en uiteraard is de sociale status van de verloskundige veel lager dan die van de arts. Ook dat telt mee.

Wat ik me nooit gerealiseerd heb, is dat de aardige zowel als de netelige kanten van de Nederlandse verloskundige praktijk al zo'n lange geschiedenis hebben. Het proefschrift van mevrouw Van der Borg laat wat dat betreft een opvallende continuïteit in de geschiedenis zien. Al voor het medische beroep geregeld was op de manier die wij nu kennen - dat gebeurde met de Wet op de Geneeskundige Beroepsuitoefening van Thorbecke (1865) - had de vroedvrouw het moeilijk in de competitie met de vroedmeesters en geneesheren. De praktijk leerden de vroedvrouwen van elkaar, het beroep ging vaak van moeder op dochter over, voor de theorie waren zij afhankelijk van de cursussen die vroedmeesters en dokters gaven. Het gemeentebestuur verplichtte hen deze cursussen tegen relatief veel geld te volgen. Deden de vroedvrouwen dit niet, dan kon hun dat hun vergunning kosten om hun beroep uit te oefenen.

De vroedvrouw vervulde in het sociale leven een relatief nederige, maar wel belangrijke sociale functie. Zo belangrijk, dat haar diensten eigenlijk vrij gedetailleerd van hogerhand geregeld werden, zoals de stadsbestuurderen er ook voor zorgden dat de vroedvrouw ook ten dienste kwam van de arme burgers. Een grote stad als Leiden had in de achttiende eeuw gemiddeld wel zo'n tien stadsvroedvrouwen in dienst. De stadsvroedvrouw leek in veel opzichten al op de moderne verzorgingsstaatarrangementen: gegarandeerde deskundigheid (opleiding, examen, vestigingsvergunning), ter beschikking gesteld door de overheid aan armlastige burgers uit overwegingen van volksgezondheid. In een tijd waarin zuigelingen- en kraamvrouwensterfte tot de belangrijkste doodsoorzaken behoorden (20-30% van de zuigelingen tegen nu minder dan 1%), was de kennis en ervaring van vroedvrouwen letterlijk van vitaal belang en zo werd het door de stadsbesturen ook gezien.

Ook in de zeventiende en achttiende eeuw werd de vroedvrouw geacht zich uitsluitend bezig te houden met de normale zwangerschappen. Als er problemen waren, moest er een beroep op de vroedmeester, of voor wie het kon betalen, op een geneesheer worden gedaan. Het gebruik van instrumenten, bijv. de verlostang, was vroedvrouwen ook niet toegestaan. In de praktijk was er in veel gevallen sprake van competitie en zelfs oneerlijke concurrentie tussen de broepsgroepen. De vroedvrouwen werden nogal eens aangeklaagd omdat ze te laat pas de vroedmeester inschakelden, omgekeerd beklaagden de vroedvrouwen zich er wel over dat zowel hoger- als niet-gekwalificeerden hun voortdurend het brood uit de mond trachten te stoten. Dit lag eens te meer gevoelig, omdat de opleiding tot vroedvrouw relatief duur was en de honorering nogal bescheiden. Een vroedvrouw verdiende bijna altijd veel minder dan een geneesheer.

De strijd tussen de beroepsgroepen was ook een strijd tussen de geslachten en de standen. De vroedvrouwen - inderdaad allemaal vrouwen - waren, hoe zelfstandig en bekwaam in de beoepsuitoefening ook, maatschappelijk en beroepsmatig gesproken ondergeschikt aan de vroedmeesters - inderdaad allemaal mannen - en de geneesheren. Er was geen eigen gilde voor vroedvrouwen en hun sociale aanzien was niet hoog. De meeste vroedvrouwen stamden uit eenvoudige milieus en doen sterk denken aan het moderne type van de kordate arbeiders- en middenstandersvrouw: verantwoordelijk voor een gezin en het huishouden, en samen met de echtgenoot bovendien nog voor het gezinsinkomen.

De roep van de vroedvrouw was niet gunstig. In de literatuur wordt zij in vaak lelijke bewoordingen afgeschilderd als dom, geldzuchtig, geneigd tot drankmisbruik en bereid tot allerlei dubieuze praktijken. Soms werden verbindingen met hekserij, maar ook met hoererij en koppelarij gesuggereerd. Mw. Van der Borg heeft daarvoor eigenlijk nauwelijks een bevestiging kunnen vinden in haar archiefonderzoek, al was er in bepaalde gevallen zeker sprake van drankzucht en een wel erg slordige beroepsuitoefening. De slechte roep is waarschijnlijk vooral het gevolg van zwartmakerij door vroedmeesters, geneesheren en later ook artsen.

Ik merk dat ik in mijn weergave van het proefschrift meer betrokkenheid laat blijken met het lot van de vroedvrouwen dan in het boek zelf gebeurt. De feiten en samenhangen worden daar heel droog en met niet al te veel commentaar beschreven. Aardig is wel, dat daardoor wel duidelijk wordt dat de vroedmeesters en geneesheren van twee eeuwen geleden er zeker niet alleen op uit waren de vroedvrouw klein te houden. Er werd wel degelijk serieus aandacht besteed aan de overdracht van kennis en de bewaking van de kwaliteit van de zorg. Ook wat dat betreft is er dan weinig veranderd. Zonder de inzet en de steun van vooraanstaande gynaecologen, zoals de vroegere Amsterdamse hoogleraar dr. G.J. Kloosterman (ooit ook directeur van een opleidingsschool voor vroedvrouwen), zouden de vroedvrouwen er als beroepsgroep nu beslist veel slechter voorstaan.

Zo ver gaat het proefschrift echter niet, het eindigt al vroeg in de negentiende eeuw en beperkt zich in feite tot een historische beschrijving van het vroedvrouwschap in Nederlandse provinciesteden in de achttiende eeuw. Voor een sociaal wetenschappelijk proefschrift is dat toch wel een beetje weinig, ook omdat de theoretische bewerking van het materiaal weinig diepgang heeft. Gelukkig blijft het onderwerp zelf interessant genoeg.