"Geld vergaren is een deugd'

Precies drie jaar geleden werd de opstand van de Chinese studenten op en nabij het Plein van de Hemelse Vrede in Peking bloedig neergeslagen. De beelden van toen zijn in Westerse ogen nog nauwelijks vervaagd. Maar de leiders van de revolte zelf zijn intussen bezig met andere zaken. De transformatie van de Chinese revolutie.

In de Chinese volksrepubliek draagt de revolutie momenteel een stropdas, een colbert en een diplomatenkoffertje. Ik zie het aan de voormalige studentenleider die verlegen glimlachend het Pekingse terras betreedt: zijn safari-jack heeft plaatsgemaakt voor een double breasted jasje, zijn spijkerbroek is vervangen door een pantalon van brave snit, en zijn wilde haardos blijkt met de schaar getransformeerd tot een burgermanscoupe. Is dit de adolescent die precies drie jaar geleden op het Plein van de Hemelse Vrede de gevestigde Chinese orde beschimpte? Is dit de rock 'n roller die na het bloedbad een cynische song op het ritme van mitrailleurvuur schreef? Is dit de jongeling die uitriep vroeg of laat een aanslag te zullen plegen op het leven van "de slager', premier Li Peng?

Zhao Jun (schuilnaam) bestelt een halve liter Duits bier. De zaken gaan goed, zegt hij. Zaken? Ja, na een lange periode van werkloosheid heeft deze "onvaderlandslievende oproerkraaier' gekozen voor het bedrijfsleven. Samen met een ondernemer uit München handelt hij in Westerse kleding. “Het leek er na de massamoord een tijdje op dat de orthodoxe kliek het hier weer voor het zeggen zou krijgen”, lacht Zhao Jun, “maar sinds het recente offensief van Deng Xiaoping heeft de hervormingsgezinde vleugel van het regime weer de overhand. Business! Money! Ik zou wel gek zijn als ik niet probeerde een graantje mee te pikken.”

Al tijdens de "contra-revolutionaire rebellie' van lente '89 legden de studenten een groot zakentalent aan de dag. Zo werd computerfirma Stone ingelijfd als sponsor van de opstand, en wist de democratiseringsbeweging tal van firma's uit Hongkong te verleiden tot financiële injecties. Ditmaal gaat het echter om "persoonlijke verrijking', zoals een ex-betoger zegt. Hij beschouwt zijn opleiding aan de kunstacademie als een voorschot op een gefortuneerd leven, gebaseerd op de verkoop van al dan niet legaal verkregen moderne kunst aan buitenlanders.

Ook Ju Li is besmet met het zakenvirus. Als secretaresse van een Chinees-Nederlandse joint venture droomt ze over het oprichten van een eigen bedrijf. “De lonen van Chinezen zijn laag, je kunt arbeidsintensieve dingen produceren die in Europa en Amerika makkelijk over de toonbank gaan.” Aan de hongerstakingen, de spandoeken waarop Chinese leiders als zwijnen stonden afgebeeld, het vrijheidsbeeld tegenover de ingang van de Verboden Stad en de tanks in de straten van de hoofdstad wordt ze liever niet herinnerd. “In zekere zin moeten we blij zijn dat de controle over onze samenleving is gehandhaafd, dat het niet tot chaotische Sovjet-toestanden is gekomen. Nu heeft China een toekomst.”

Niet dat haar idealisme net zo snel in rook opgaat als haar Marlboro's: “Ik geloof nog steeds dat de machtswellust, de corruptie en de stalinistische trekken van ons systeem moeten verdwijnen. Maar via de politieke weg zie ik dat niet gebeuren. We kunnen beter gebruikmaken van de economische ruimte om de Chinese leiders voor voldongen feiten te stellen. Op een dag worden ze wakker . . . en dan is het land tot hun stomme verbazing op een niet terug te draaien manier fundamenteel veranderd. Wat zal resten is het vernislaagje van de communistische retoriek”. Van die aanpak worden de vroegere "raddraaiers' niet bepaald slechter, beaamt ze glimlachend. Maar een egalitaire maatschappij is China nóóit geweest: “Eigenlijk staat het communisme haaks op onze cultuur. Het vermogen geld te vergaren gold in het Rijk van het Midden als een deugd - zeker als het ten koste van anderen ging”.

Eén ex-actievoerder ervaart de keuze voor het zakenleven als een morele nederlaag. Bij het Volksdagblad leidde hij een verzetsrol - een bezigheid die zijn vrouw (literatuurcensor) op den duur zo onder spanning zette dat ze hem verliet en het land ontvluchtte. Inmiddels is hij door zijn krant onder curatele gesteld. “Ik neem ontslag, ik ga antiek verhandelen”, zegt hij. Op mijn hotelkamer spreekt hij over de waarde van Ming-vazen en overhandigt hij me een valies voor zijn in Duitsland studerende echtgenote, gevuld met een zijden kamerjas, schoenen met naaldhakken en een slof Altijd Gelukkig-sigaretten.

Hèt Pekingse hebbeding van dit voorjaar zit er niet bij: een vaantje met een jeugdportret van Mao Zedong. Iedere taxichauffeur heeft het aan zijn achteruitkijkspiegeltje hangen, elke eigenaar van een privé-restaurant bevestigt het boven de bar, talloze jongeren lopen ermee rond. De Grote Roerganger glimlacht je weer overal toe, anno 1992 verworden tot relikwie, cultfiguur - rijp om ironischerwijs te worden omarmd als de boeddha van de zakenmensen-in-spe die op het Plein van de Hemelse Vrede hun stem verhieven tegen zijn systeem.

Foto: Slapende student op het Plein van de Hemelse Vrede, juni 1989.