Een bobbel in de biosfeer

Tropisch regenwoud - schatkamer van biodiversiteit. M.S. Hoogmoed en R. de Jong (red.). Nationaal Natuurhistorisch Museum. Leiden, 1992. Distr. Universal Book Services, Warmonderweg 80, Oegstgeest. Geïll. 206 blz. ƒ 48,-. ISBN 90 73239 04 4

Een van de hardnekkigste fabeltjes rond het broeikaseffect is dat de tropische regenwouden zouden fungeren als "groene longen', gebieden die de vuile lucht van de mensheid weer reinigen en ook CO2 uit de atmosfeer wegnemen. Dit is, het moet kennelijk vaak herhaald worden, falikante onzin. Groene longen bestaan niet. Het is een onzinnige kreet.

Tropische regenwouden nemen net zoveel CO2 uit de lucht op als ze er weer aan afstaan, door verademing, rotting of door brand. Het enige dat je ervan kunt zeggen is dat het aanbeveling verdient na kappen het bos weer aan te planten zodat de nieuwe bomen de koolstof vastleggen die bij het kappen in de atmosfeer verloren is gegaan.

Waarom wordt er dan zoveel kabaal gemaakt over het kappen van regenwouden? Hierop is maar één antwoord mogelijk: omdat het aantal plant- en diersoorten in tropische regenwouden vele malen groter is dan elders op de wereld. Door het kappen van de regenwouden verdwijnt meer dan de helft van de plant- en diersoorten.

Een enkel voorbeeld. In geheel West-Europa en het aangrenzende Noord-Afrika (dus zeg maar ruwweg het oude Romeinse rijk) leven 350 soorten dagvlinders. Door het oversteken van de Sahara en de Sahel komt men in het Afrikaanse regenwoud. Hier werden onlangs op een enkele berg 600 vlindersoorten verzameld. Op een aangrenzende berg konden ook zo'n 600 soorten worden verzameld, waarvan weer honderd nieuwe soorten, soorten dus die niet op de eerste berg voorkwamen. Dit zijn aantallen waar een Europese insektenkenner van duizelt.

Als het aantal soorten per hectare wordt afgezet tegen de breedtegraad, dan zien we de curve vanaf de polen langzaam stijgen tot de keerkringen. Daarna, bij de tropische regenwouden, is er opeens een extreme uitschieter - het is aldus de taxonoom Arthur "een bobbel in de biosfeer'.

De afgelopen jaren zijn al heel wat boeken en artikelen over het belang van tropische regenwouden verschenen. Daaronder waren zonder twijfel heel goede, al was het merendeel tamelijk oppervlakkig. Onlangs verscheen een zeer goed boek in het Nederlands onder de titel "Tropisch regenwoud - schatkamer van biodiversiteit', de neerslag van een symposium op 7 september 1991.

De auteurs zijn allemaal beroepstaxonomen, dat wil zeggen onderzoekers van soorten. Het interessante van taxonomen is dat zij de veelheid aan plant- en diersoorten in tropische regenwouden niet alleen benadrukken, maar ook als een wetenschappelijk probleem zien. Hoe komt het eigenlijk dat er daar zoveel soorten huizen?

Een simpel voorstel daartoe wordt gedaan door de Wageningse hoogleraar S.B. Kroonenberg. Hij draait de vraag om: waarom zijn er buiten de regenwouden zo weinig soorten? Zijn die verdwenen door de ijstijden? Daar bestaan wel aanwijzingen voor. Dan zou enkele miljoenen jaren geleden de gehele aarde zo soortenrijk zijn geweest.

Andere taxonomen benadrukken dat er eigenlijk nog erg weinig bekend is van soortvormingsmechanismen. Het centrale dogma luidt dat soortvorming alleen mogelijk is door spatiale isolatie - door scheiding in de ruimte waardoor populaties genetisch gescheiden raken. Door genetic drift en selectie gaan de populaties onderling verschillen, waarna ze elkaar tenslotte niet meer herkennen.

De meeste kennis van soortvorming is opgedaan in gematigde gebieden. Zou het in regenwouden niet mogelijk zijn dat soortvorming optreedt zonder spatiale isolatie? Dat zou voor de hand liggen, want er zijn veel soorten, maar er is nauwelijks spatiale isolatie. De regenwouden zijn al enkele miljoenen jaren oud. Er waren af en toe wel klimatologische veranderingen, maar het laaglandregenwoud - en dat is het rijkste - is in de meeste continenten toch ononderbroken geweest.

In "Tropisch regenwoud' worden vele soorten regenwoud onderscheiden. In tabellen en grafieken worden de verschillen duidelijk gemaakt. Benadrukt wordt steeds dat pas een zeer klein deel van het gigantische aantal soorten bekend is. Sommige wonderlijke dingen worden tussen neus en lippen gezegd. In het tropisch regenwoud is de verhouding tussen plantaardige biomassa en dierlijke geheel in het voordeel van de planten: 5000:1. In zee is dat juist omgekeerd: daar is meer dier dan plant.

Het aantal grote dieren per hectare is in het regenwoud ook zeer gering. Zo zijn er in Ghana drie soorten hoefdieren en zeven apen. Per hectare 0,72 kilogram primaire consumenten per hectare. Op de Afrikaanse savanne is dat 250 kilogram per hectare, voornamelijk hoefdieren.

Maar fenomenaal is het aantal boomsoorten. In Bruneï op Borneo, dat slechts eenzevende van het oppervlak van Nederland heeft, groeien 2000 boomsoorten. Nederland kent er van nature 30.

Kruiden die op de grond groeien kent het regenwoud nauwelijks. De weinige planten op de grond zijn bijna zonder uitzondering zaailingen van bomen. Wel zijn er erg veel epifyten, planten die op stammen van bomen groeien. Water verzamelen ze vaak door bladtrechters. Bromelia's die in Nederland als potplanten gehouden worden, zijn zulke epifyten. In de watertrechters leven vaak boomkikkers en insekten.

Interessant zijn de speciale aanpassingen voor verspreiding van zaad en stuifmeel in het regenwoud. Hoewel het boven de boomkruinen wel stormen kan, is het in het bos meestal bladstil. Windverstuiving heeft daarom weinig zin, het zijn de dieren die het doen.

Bekend zijn de stuifmeelverspreidende kolibries in Zuid- en Midden-Amerika. Speciale bloemen met diep verborgen honing geven alleen toegang aan vogels met speciaal gevormde snavels. Hetzelfde geldt voor bloemen die gebonden zijn aan bepaalde pijlstaartvlinders met lange roltongen.

Minder bekend zijn de grote stamvruchten, vruchten die rechtstreeks aan een boomstam groeien (cauliflorie), voor degene die zoiets voor het eerst ziet eerder lijkend op een gezwel dan op een vrucht. Dergelijke stamvruchten zijn bedoeld voor zoogdieren, zoals apen of grote vleermuizen. De uitwerpselen vormen een "hoopvolle' omgeving voor het vrijgekomen zaad.

Veel zaad wil zonder de passage door een maag niet eens ontkiemen. Een schitterend bewijs hiervan wordt geleverd door een reuzenboom op Mauritius. Van deze soort waren nog maar een dozijn in leven. Zaad vormden de bomen wel, maar het wilde niet ontkiemen. Een bioloog kwam op het lumineuze idee dat de uitgestorven dodo de zaden vroeger gegeten kan hebben. Hij voerde de zaden aan kalkoenen en zowaar: enkele zaden in de uitwerpselen werden kiemkrachtig. De reuzenboom wordt nu weer opgekweekt.

Meestal is het commentaar wat minder vrolijk. Toen taxonomische specialisten van de Universiteit van Amsterdam een stuk Amerikaans regenwoud in kaart hadden gebracht, waarin ze enkele duizenden plantesoorten hadden aangetroffen, bleek bij terugkeer enkele jaren later dat het bos volledig gekapt was. Niets meer van over, weg. Misschien zijn enkele van deze soorten nog net beschreven, voor ze van de aardbodem verdwenen.

Jammer. Want eens weg is altijd weg. Nieuwe soorten komen er niet meer bij, de evolutie van nieuwe soorten duurt miljoenen jaren.

Dat broeikaseffect komt wel weer goed, als we zouden willen, al duurt het misschien enkele eeuwen. Vervuilde bodems vallen te saneren. En ook het ozongat is over een eeuw weer dicht. Maar een verdwenen soort is voor altijd weg, voorgoed.

Foto: Jack fruit, Filipijnen. Een voorbeeld van een stamvrucht (cauliflorie). De Filipijnen zijn al grotendeels ontbost.