Dooperkenning

In NRC Handelsblad van 2 juni bericht redacteur Frits Groeneveld over de toetreding van prinses Christina tot de rooms-katholieke kerk. Aan het slot van zijn bericht verwijst hij naar dezelfde stap, ruim 28 jaar geleden, van prinses Irene, van wie volgens hem niet bevestigd zou zijn dat zij is herdoopt omdat kardinaal Alfrink daarover, op grond van zijn ambtsgeheim, nooit heeft willen spreken.

Prinses Irene is op vrijdag 3 januari 1964 in de abdij van St. Paulus buiten de Muren te Rome door kardinaal Alfrink gedoopt sub conditione, met de formule: “Indien gij niet gedoopt zijt, dan doop ik u nu in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.”

Indertijd was dat de gangbare manier om iemand in de catholica op te nemen, wanneer onvoldoende informatie beschikbaar was over de omstandigheden, waaronder eerder de doop in een andere kerk had plaatsgehad. Alfrink heeft van de gang van zaken verantwoording afgelegd aan het moderamen van de synode der Hervormde Kerk in een brief d.d. 7 februari 1964. Daarin schrijft hij onder meer dat “indien ik met betrekking tot de doop, die in 1940 plaats vond, over de gegevens had kunnen beschikken, die mij thans zijn verstrekt, geen voorwaardelijke doop had behoeven te geschieden”. Het "oecumenisch bedrijfsongeval', zoals deze gebeurtenis wel is omschreven, heeft in de jaren 1966-1968 tot uitwerking gehad dat wederzijdse dooperkenning tot stand kwam tussen verscheidene protestantse kerken en de katholieke kerk.

Al deze gebeurtenissen zijn destijds in de media uitvoerig aan de orde geweest. Nu zijn ze na te slaan in het boekje van Ton Oostveen, Bernard Alfrink, katholiek ('s Hertogenbosch, 1972) en in het boekje met teksten geredigeerd door C. Augustijn, Kerk in Nederland 1945-1984 (Delft, 1984).