Betrouwbaarheid van vlokkentest omstreden

GRONINGEN, 4 JUNI. De vlokkentest, die vroeg in de zwangerschap uitsluitsel geeft over een handicap van een kind, is niet altijd betrouwbaar. Uit een onderzoek van drs. A.S.P. Breed van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat vijf procent van de vrouwen die hun zwangerschap naar aanleiding van een vlokkentest lieten afbreken, dit achteraf niet hadden hoeven doen.

Bij een vlokkentest worden in de tiende week van de zwangerschap cellen van een vruchtvlies dat het embryo omhult onderzocht op chromosoom- of DNA-afwijkingen. Breed concludeert dat er bij de talrijke celdelingen in de vroege zwangerschap relatief veel chromosomale afwijkingen ontstaan, die zich in de vlokken beter handhaven dan in de foetus zelf. Volgens Breed varieert de voorspellende waarde van de vlokkentest per onderzochte afwijking tussen de 0 en 100 procent.

Breed onderzocht alle sinds 1984 afgenomen 3277 vlokkentests in het Academisch Ziekenhuis in Groningen en het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem. In 140 testen werd een afwijking gevonden - 86 zwangerschappen werden op grond daarvan afgebroken. In zes gevallen werden in het abortusmateriaal geen afwijkingen aangetroffen - in vier gevallen een andere afwijking. Zes vrouwen tegen wie was gezegd dat ze een kind met een afwijking mochten verwachten, lieten de zwangerschap doorgaan en vier kregen een volstrekt normaal kind. In de andere 48 gevallen werd na de vlokkentest in de zestiende week van de zwangerschap alsnog de dan gebruikelijke vruchtwaterpunctie uitgevoerd, waarvan de uitslag in alle gevallen wel betrouwbaar was.