Tsjechen onzeker naar stembus; Ex-communisten en populisten hebben de wind mee door economische problemen; "Straatcomité 352 meldt zich af - ere zij de arbeid!'

PRAAG, 3 JUNI. “Ik heb vaak medelijden met president Havel. Hij verdient een beter volk dan het onze.” Dergelijke uitspraken hoort men tegenwoordig vaak in het land dat nog geen tweeëneenhalf jaar geleden in een roes van beheerste woede ruim veertig jaar communistisch bewind van zich afschudde en sindsdien probeert een geciviliseerde democratie naar Westeuropees model op poten te zetten.

Maar naarmate de euforie van de Fluwelen Revolutie wegebde werd de federatie geconfronteerd met zoveel nieuwe, maar vooral ook oude problemen dat er van voldoening over de herkregen vrijheid weinig meer te bespeuren valt. Vrijheid? Een communistische arbeider in het Noordmoravische Bohumn lacht schamper: “In november '89 dachten we dat het goede van het communisme en het goede van het kapitalisme gecombineerd konden worden. De mensen zien nu dat er geen derde weg bestaat. Ze willen het liefst de vrijheid weer inruilen voor werk”.

Hij is een van de meer dan honderd mensen die de verkiezingsbijeenkomst van het Links Blok bijwonen in het bij Ostrava gelegen plaatsje, centrum van de staalindustrie. De vergadering waar de regionale kandidaten van het Links Blok worden gepresenteerd bestaat vooral uit een lange jammerklacht over wat er verkeerd is in de politiek van de “nieuwe machtsgarnituur” in Praag.

“Men zegt dat onder het communisme in dit land alleen maar vernield is”, zegt een van de kandidaten, een vrouwelijke arts. “Maar ze vergeten dan dat we iedereen tegen tbc hebben ingeënt. Onze volksgezondheid was zo goed omdat iedereen geholpen werd, onafhankelijk van zijn inkomen. Het is toch een schande dat mensen met een dikke portemonnee een betere behandeling krijgen.” Haar uitspraken worden met applaus beloond, net als die van de voormalige mijndirecteur die vindt dat geprivatiseerde bedrijven “onder strenge controle van de samenleving” moeten blijven. Want, zegt hij, “we zijn innig verbonden met het staatsbezit, dat mag niet verkwanseld worden”. Hij hekelt het feit dat door de privatisering nu ingenieurs werkloos zijn geworden “die op straat sigaretten staan te verkopen. We kunnen wel verder gaan met die privatisering, maar we eindigen zonder broek!”

Vroeger was alles goed, is het Leitmotiv hier: er was orde en de staat zat stevig in elkaar. Tegenwoordig is iedereen ontevreden, de misdaad neemt onrustbarend toe en de federatie dreigt uit elkaar te vallen. Het is allemaal hun eigen schuld.

Na afloop van de vergadering ontspint zich in het partijhoofdkwartier een soortgelijke discussie. “We keren terug tot onze vroegere principes: het communisme is er voor de mensen, niet andersom. We komen nu op voor de belangen van de mensen die denken dat we hun iets te bieden hebben. We streven nu naar consensus, we hebben geen machtsambities en we vinden dat de uitwisseling van meningen de motor van de samenleving is.”

Maar een oudere arbeider gelooft dat de “gewone leden” van de vroegere communistische partij niet hoeven te veranderen. “Wij hebben altijd hetzelfde geloofd. We zijn trots op de symbolen en de naam van de partij, de leiding komt nu van onderaf. Het probleem was vroeger dat de leiding zich had vervreemd van de basis.”

Op dat moment posteert de vrouw die tot dan toe gedienstig de schaaltjes met spek, brood en augurken en de drank had rondgedeeld zich in de deuropening en vraagt het woord. Op bijna militareske toon verklaart ze: “Straatcomité 352 meldt zich af - ere zij de arbeid! Ik heb uw materiaal grondig bestudeerd. Ik wens u veel geluk. Als de mensen verstandig worden zullen ze zeker op u stemmen”.

Aan het andere eind van het politieke spectrum in de Tsjechische landen bevindt zich de SPR-RSC, het Tsjechische equivalent van de Republikaner. Op het ruim bemeten Cubaanse Plein (vroeger het Plein van de Cubaanse revolutie) in Praag 10, buiten het centrum, hebben zich niet meer dan 300 belangstellenden verzameld voor het optreden van PhDr. Miroslav Sládek, een 41 jaar oude volksmenner, die vóór de revolutie werkzaam was bij de censuur. Vorig jaar leek hij veel aanhang te winnen van zowel extreem-rechtse als extreem-linkse kiezers die verontrust zijn over de prijsstijgingen en de groei van de misdaad. Het Cubaanse Plein is groot, te groot voor deze opkomst, en kennelijk geïrriteerd begint Sládek met het wegsturen van een Duitse televisieploeg “omdat die buitenlandse tv toch alles maar verdraait”.

En dan stort Sládek zijn stroom verwijten over het publiek uit: “Het hangt van jullie af of jullie blind volgen wat de media zeggen. Deze garnituur is er alleen op uit om aan de macht te blijven en hun financiële voordeeltjes te houden. Het zijn kameraden-kapitalisten geworden. Als jullie daarmee tevreden zijn, okee, maar dan mag niemand later klagen. In '89 is hier de grootste zwendel, de grootste smerigheid in de geschiedenis van de republiek gepleegd. Prachtig werk hoor, kiezers, die uitverkoop van de nationale bezittingen!”

Sládek is tegen alle buitenlanders en tegen de Westerse media die “vol zitten met spionnen en bolsjewieken”, maar vooral ook tegen de zigeuners “die hier op hun 18de een pensioen krijgen”.

Het rabiate gebral lijkt vooral aan te slaan bij marginale delen van het Tsjechische kiezerskorps, bij skinheads bijvoorbeeld. Betwijfeld wordt of zijn partij de vijfprocentsdrempel zal halen. Maar een jonge arbeider in het Noordboheemse Most, een bulldozerchauffeur met veel branie, bekent dat hij op de Republikeinse partij gaat stemmen: “Daarvan verwacht ik de oplossing van het zigeunerprobleem en de verbetering van het milieu”.

De Tsjechische kiezers voelen zich door de afnemende werkgelegenheid en de eindeloze discussies in het parlement over het mogelijk uiteenvallen van de federatie steeds onzekerder. Ze zijn hun oriëntatie kwijt in de baaierd van veertig politieke partijen. In 1990 konden ze duidelijke keuzes maken: voor of tegen de communisten. Nu is het politieke middenveld door de splitsingen in de meeste partijen zo versnipperd en lijken de meeste partijprogramma's zozeer op elkaar dat een groot deel van het electoraat nog tot het laatste moment wacht om een beslissing te nemen.

Wel is duidelijk dat de ODS (Burgerlijke Democratische Partij) van minister van financiën Václav Klaus de grootste partij in de Tsjechische landen wordt. De peilingen voorspellen tussen de 20 en 25 procent voor Klaus, de kampioen van het Tsjechoslowaakse model voor economische hervormingen, de coupon-privatisering. Klaus geldt als een briljant econoom, maar ook als een man die zijn Thatcher-achtige politiek keihard doorzet. Zijn grote opponent is Valtr Komarek, leider van de sociaal-democratische CSSD en hoofd van het economisch onderzoekinstituut waar Klaus voor de revolutie zelf werkte. Komarek vindt dat de sterk teruggelopen consumptie in Tsjechoslowakije moet worden gestimuleerd door het initiëren (en financieren door de regering) van projecten. Klaus is daar tegen, vooral omdat de regering geen geld heeft. “Dat is al 42 jaar lang geprobeerd”, zei hij onlangs in een televisiediscussie met Komarek. “En het resultaat was allerlei waardeloze, milieuverwoestende fabrieken.” Klaus weigert ook het woord recessie te gebruiken voor de huidige economische moeilijkheden. “We zitten niet in een proces van ineenstorting, maar hebben last van een transformatieschok. Als enige land in het Oosten hebben we hier geen echte crisis. De prijzen zijn stabiel, het vertrouwen in de munt is groot.”

Veel Tsjechen geloven dat graag en stemmen op Klaus. Maar desondanks zullen er coalities gevormd moeten worden, waarschijnlijk met de christen-democraten en andere min of meer rechtse partijtjes. De vraag echter die heel Tsjechoslowakije deze week biologeert is vooral wat de Slowaakse nationalistische partijen zullen doen. De leider van de Slowaakse HZDS, Klaus, en Vladimir Meciar, de gedoodverfde winnaar van de verkiezingen in Slowakije, zijn water en vuur. Maar van de mogelijkheid dat zij tot een vergelijk komen hangt het voortbestaan van de Tsjechoslowaakse federatie af.