Toneelgroep Amsterdam speelt Gyges en zijn ring; Een harnas voor emoties

Voorstelling: Gyges en zijn ring van Hebbel door Toneelgroep Amsterdam. Vertaling: Barber van de Pol; regie: Jürgen Gosch; spelers: Pierre Bokma, Rik van Uffelen e.a. Gezien 1/6 Stadsschouwburg, Amsterdam. Te zien t/m 3/6 aldaar. Tournee 18/9 t/m 26/12.

Alles in Gyges en zijn ring (1854) van Friedrich Hebbel keert zich ten slechte. De tragedie balanceert tussen een jongensdroom en een epos over de ondergang van de ene beschaving ten gunste van de andere. De inzet is het verlangen: de jongeling Gyges raakt in het bezit van een ring, die hem onzichtbaar maakt. Hij slaagt erin 's nachts de ongesluierde schoonheid te zien van Rhodope, de echtgenote van koning Candaulus. Gyges wordt verliefd op haar. Om haar te huwen doodt hij de koning. Aan het slot steekt Rhodope zichzelf neer.

Zo ontaardt voyeurisme in de dood van koning en koningin; Gyges blijft over, gekrenkt in zijn trots, emotioneel ontwricht. Gyges is een tragedie van verbijsterende vertragingen. Het lijkt of pure emoties de Noordduitser Hebbel te min zijn; ze moeten gevat worden in een cerebraal harnas. Dit vereist van de acteurs bijna het onmogelijke. In het dichte woud van Hebbels verzendrama moeten zij de banen zonlicht opzoeken om gloed en vuur aan het personage te verlenen.

De voorstelling die Jürgen Gosch ensceneerde voor Toneelgroep Amsterdam heeft een hoog artistiek gewicht en een laag emotioneel gehalte. Ik denk niet dat Gosch met deze enscenering dezelfde strijd zal ontketenen als eertijds bij de Nederlandse Opera met Tristan en Isolde. Daartoe mist deze Gyges de polemische toon. In een gestileerde choreografie voltrekken zich de scènes op een nagenoeg kale Bühne. Zwarte, gazen doeken scheiden de verschillende ruimtes van elkaar af. Die gazen doeken zijn er, tegelijkertijd zijn ze doorzichtig.

Dit is een symbolisch decorbeeld, geïnspireerd op het effect van zichtbaar-onzichtbaar van Gyges' ring. De kostumering is archaïserend en tijdloos. Bij Gosch en de acteurs van Toneelgroep Amsterdam keerde de plastiek van het grote gebaar terug, de dictie van de bezwerende toon, de alomvattende acteerstijl. In de eerste twee bedrijven slagen Rik van Uffelen als koning en Pierre Bokma in de titelrol er op voortreffelijke wijze in om, met luchtige ironie, tegen de zwaarte van de tekst in te gaan. Ondanks het cynisme dat bij de rol van Van Uffelen hoort, lijkt hij dansante bewegingen over de vloer te maken. Bokma geniet van de meesterlijke overgangen die hij maakt.

Deze energie is later nauwelijks vol te houden. Het statische karakter van de enscenering, slechts onderbroken door de watervlugge beweeglijkheid van de maagden, dwingt ook de acteurs tot ernst. Catherine ten Bruggencate heeft voor de uitbeelding van haar rol inspiratie gezocht bij de manier waarop operazangeressen een waanzinaria zingen. Enorme contrasten en dwingende accenten op de versvoet.

Dit is acteren als een krachtmeting tussen ego's die bijna groteske proporties aannemen. De acteurs zijn duizelingwekkende taalmachines. Aan het slot doorbreekt Jürgen Gosch de zorgvuldig in stand gehouden vierde wand. Na een gekunstelde zelfmoord gaat Rodophe af alsof er geen vuiltje aan de lucht is.

Zo haalde de regisseur zelf de intensiteit uit de voorstelling ten gunste van een onduidelijke artistieke ingreep. De inzet van de acteurs is volledig, ze bouwen een kathedraal van taal, maar de vervoering blijft uit. Er is ook iets vreemds met de vertaling, waarvan de gespeelde tekst ingrijpend en vaak ten nadele verschilt van de gepubliceerde. Telkens klinkt "je' waar Barber van de Pol terecht "u' vertaalt. Dat "je' staat lijnrecht op de plechtstatige enscenering. Daardoor wrikt de voorstelling, alsof tekst en handeling niet spoorden. Deze Gyges wordt gedragen door individuele acteurs en mist een dwingende visie: waarom maakt Gosch deze voorstelling? Het lijkt of hij ons niets vertelt; hij toont een speelstijl.