Testament van een thesaurier-generaal

Thesaurier-generaal Cees Maas stuurde Nederland zes jaar lang in de richting van Europese monetaire eenheid. Hij vorderde, maar de weg naar die ene Europese munt is nog lang en noopt tot grote stappen. Morgen neemt een gezichtsbepalende ambtenaar afscheid van Financiën.

Achter het bureau van drs.ing. Cees Maas, de scheidende thesaurier-generaal bij het ministerie van financiën, staan zes tassen en koffertjes. Gewoonlijk neemt Maas er twee mee naar huis, gevuld met lopende zaken. Als er nog meer stukken komen, dan brengt de chauffeur een volgend koffertje. Onderweg, in de dienstauto, of thuis neemt hij de pakken papier door. “Ik heb geen stapels. Als je één dag de stukken niet leest, kom je er de volgende dag niet meer aan toe”, zegt Maas, terwijl hij zijn ruime kamer rondkijkt. Een 19-de eeuwse klok geeft er de tijd aan, een tafel vol gedenkpenningen herinnert aan een intensief bestaan als thesaurier-generaal.

Op zijn bureau ligt een boekje met de statuten van de Internationale Nederlanden Groep (ING). De 45-jarige Maas, HTS'er met een diploma fysische techniek, als econoom afgestudeerd aan de Erasmus universiteit en sinds 1976 in dienst van Financiën, wordt op 1 juli bestuurslid van deze bundeling van Nationale-Nederlanden en het bankconglomeraat NMB-Postbank. ING is in Nederland de meest vergaande uitwerking van wat in het Duits Allfinanz wordt genoemd. De groep vertegenwoordigt een formidabel vermogen, als verzekeraar, bankier en institutionele belegger, maar vooruitlopend op zijn nieuwe functie wil Maas op de maatschappelijke voor- en nadelen van deze machtsconcentratie niet ingaan.

Zes jaar is Maas thesaurier-generaal geweest. Het is een loodzware functie, omdat ze niet alleen Haagse verantwoordelijkheden met zich meebrengt, maar in toenemende mate - twee derde, schat hij - internationale verplichtingen. Maas speelde een sleutelrol in de onderhandelingen over de EMU, de economische en monetaire unie van de Europese Gemeenschap. Hij gelooft dat de criteria die hij heeft helpen opstellen voor de invoering van één munt tegen het einde van de eeuw, goed zullen werken. Maar, waarschuwt hij, er moet nog heel hard aan de integratie van Europa worden gewerkt.

Nederland zal dan ook moeten doorgaan met sanering van de overheidsfinanciën, die “structureel uit het lood geslagen zijn”, vindt hij. Wat Maas betreft, moet zo snel mogelijk een einde komen aan de jaarlijks terugkerende, bestuurlijk slopende bezuinigingsrondes. Dat kan als het volgende kabinet besluit om “met grote stappen snel thuis” te komen, zoals hij zegt. Zodra het financieringstekort geen probleem meer is, kan de overheid haar beleid afstemmen op èchte veranderingen in de samenleving - zonder dat bezuinigen alle energie opslorpt. En dan ontstaat ook ruimte voor verlaging van de collectieve lastendruk.

De thesaurier-generaal is een soort octopus. “Hij adviseert de minister van financiën bij de voorbereiding van het sociaal-economische beleid in Nederland, bij het monetaire beleid en bij de opstelling van Nederlandse standpunten in internationaal verband”, doceert Maas. Daarnaast vertegenwoordigt de thesaurier het ministerie in binnen- en buitenlandse functies: hij is vice-voorzitter van de Centraal Economische Commissie van topambtenaren in Den Haag en ook plaatsvervangend gouverneur van het Internationale Monetaire Fonds in Washington.

Bovendien was Maas de afgelopen twee jaar voorzitter van het invloedrijke Monetair Comité van de Europese Gemeenschap in Brussel. Namens Nederland nam hij deel aan het overleg van de rijke industrielanden over financiële steun aan de Golf-regio tijdens de Golf-oorlog en over hulp aan het GOS, de voormalige Sovjet-Unie. Vorig jaar woog het Nederlandse EG-voorzitterschap zwaar: Maas had de dagelijkse leiding bij de onderhandelingen over de economische en monetaire unie (EMU).

Pag 16: "Bij de huidige lage groei is een tekort van 2,5 à 3 procent best acceptabel'; "We vinden het niet erg onze munt in te leveren, maar we hebben wel wat te verliezen'; Monetaire unie staat en valt met aanpak inflatie en staatsschuld

Denemarken diende gisteren een onverwachte klap toe aan het vertrouwen dat de Europese munt tegen het einde van de eeuw zal worden ingevoerd. De Denen waren grondwettelijk verplicht een referendum over het verdrag voor de Europese Unie te houden - en wezen het na een verhit publiek debat met een verschil van 45.000 stemmen af.

In Nederland is het na de EG-top in Maastricht tamelijk stil geworden over het komende einde van de gulden. Maas bestrijdt overigens dat hier geen debat over de EMU is gevoerd. “Anders dan in Duitsland of Frankrijk is dat debat hier in een vroegtijdig stadium gehouden”, zegt hij. Vorig jaar heeft de SER een advies over de EMU uitgebracht; maatschappelijke groeperingen en universitaire deskundigen hebben zich uitgesproken en de minister van financiën heeft het parlement voortdurend op de hoogte gehouden. Het resultaat van Maastricht is volgens hem goed voorbereid en wordt breed gesteund.

Maas zegt zich te hebben gerealiseerd dat de wens om voor het einde van de eeuw één munt te hebben in Europa meer weerstand zou oproepen in Frankrijk en Duitsland dan in Nederland. Hij verwijst naar de traditionele Frans-Duitse tegenstelling: “De samenhang van de politieke en de monetaire unie is voor de Fransen en de Duitsers van grote betekenis. De Engelsen kunnen leven met een EMU in een los politiek verband. De politieke verhoudingen tussen Frankrijk en Duitsland worden echter in belangrijke mate bepaald door economische machtsverhoudingen en als die in de monetaire unie niet meer te onderscheiden zijn, komen ze politiek in problemen.” Daarom, aldus Maas, hebben de Duitsers de monetaire unie aan de politieke unie gekoppeld.

Duitsland en Frankrijk zullen de overgang naar de slotfase van één munt niet automatisch maken, ook al ligt het "tijdpad' - in 1997 of uiterlijk 1999 - voor de EMU vast. Voor de politieke unie is in 1996 een ijkpunt ingebouwd. Dat kunnen de Duitsers en Fransen aangrijpen als toets, óók voor de monetaire unie. Voor Groot-Brittannië ligt dat anders. Als in 1996 geen grote stap naar politieke eenwording wordt gezet, zullen de Britten geen probleem hebben met de slotfase van één munt, verwacht Maas.

Aan deelname aan de EMU zijn voorwaarden verbonden: de rente, inflatie en wisselkoers moeten in de verschillende EG-landen niet ver uit elkaar liggen, het financieringstekort mag niet meer dan 3 procent van het bruto binnenlandse produkt bedragen en de staatsschuld hooguit 60 procent van dat BBP. “Het zijn objectieve criteria, maar ze worden niet door een computer toegepast. Dat geeft een element van subjectiviteit en dat kan spanningen met zich meebrengen”, erkent Maas. Toch heeft hij vertrouwen in de effectiviteit van de criteria.

Ze werken nu al, zegt hij. Landen als Ierland, Spanje en Portugal zijn begonnen met aanpassingen. Eind 1996 moet het besluit vallen welke landen "rijp' zijn voor de finale sprong naar één munt. Als Italië zich niet aanpast, maar op grond van politieke solidariteit vraagt toegelaten te worden, komt het in botsing met de Spanjaarden, Portugezen en Ieren, verwacht Maas. “Maar wat krijgen we nou! Wij hebben met alle problemen de economie aangepast en dan moeten we ermee akkoord gaan dat een ander land een vrije lunch heeft? Dat zal niet gebeuren!”, speelt Maas het debat dat zich dan zal afspelen. “Het feit dat landen zich nu al aan de criteria aanpassen, is voor mij de garantie dat straks hard zal worden opgetreden tegen landen die het hebben laten afweten”, vat hij samen.

Uiteindelijk zullen twee criteria doorslaggevend zijn: inflatie en staatsschuldquote. “Daarop zal worden afgerekend.” De rente en wisselkoers zullen wel naar elkaar toegroeien, meent hij, en het financieringstekort is met een beetje inspanning voor ieder land tussen nu en 1997 onder drie procent te brengen. Maar de staatsschuld is een soort olietanker, die heel langzaam van koers verandert. Dat vereist grote inspanningen en daarvoor moet politieke wil aanwezig zijn. “Een land moet nu beginnen als het over zes jaar een goed figuur wil slaan. Dit geldt voor Italië, België, Ierland en natuurlijk ook Nederland”, zegt Maas.

De EMU-onderhandelaars waren het erover eens dat een grote staatsschuld de stabiliteit van de overheidsfinanciën bedreigt. “We hebben de staatsschuld geprikt op 60 procent. Dat is betrekkelijk willekeurig”, erkent Maas. Maar de boodschap is duidelijk: landen met een hoge staatsschuld zijn kwetsbaar voor rentestijgingen.

Nederland is een treffend voorbeeld. In het regeerakkoord is uitgegaan van een rente van 6,75 procent, maar in feite is de rente gemiddeld 8,25 procent. Dit betekent dat de rentelasten in 1994 per jaar 5 miljard gulden hoger zullen zijn dan in het regeerakkoord stond. “Voor 5 miljard kun je een hoge snelheidstrein èn de Betuwelijn aanleggen. Ieder jaar opnieuw! Zo gevoelig is Nederland geworden voor de rentestand.”

Het einde van de gulden speelt in Nederland nauwelijks een rol in het debat over de monetaire unie; in Maastricht zei koningin Beatrix zelfs dat ze er geen bezwaar tegen had dat haar beeltenis van de Nederlandse munt zou verdwijnen. Dat ligt in andere EG-landen anders. De Britten hebben voor het pond een voorbehoud gemaakt. In Duitsland begon na "Maastricht' een emotionele campagne voor het behoud van de D-mark als symbool van de na-oorlogse welvaart. En ook in Frankrijk wordt de franc als symbool van de natie verheerlijkt.

Maas is niet onder de indruk. “De Duitsers noemen zich kampioen van het anti-inflatiebeleid. Die nadruk komt voort uit diepe frustraties over twee periodes van hyperinflatie. Nederland heeft echter een veel langere traditie van een stabiele munt. Nederland heeft nooit hyperinflatie gehad, en dat verklaart waarom het zoveel nadruk legt op strenge criteria. We vinden het niet erg onze munt in te leveren, maar we hebben wel wat te verliezen. Dat vertaalt zich in Nederland in strengheid naar landen die gemakkelijk "liftersgedrag' vertonen.”

Voor Nederland zal de aanloop naar de EMU in het teken staan van de staatsschuld. Het land is volgens Maas “op de goede weg” met de vermindering van het financieringstekort; vanaf volgend jaar zal de staatsschuld teruglopen. Maar het gaat langzaam. En de vraag is: wat doet Nederland in de volgende kabinetsperiode? Als het financieringstekort na 1994 niet verder wordt teruggedrongen, zal het twintig tot dertig jaar duren voordat Nederland aan de EMU-norm voor de omvang van de staatsschuld voldoet. Dan zal Nederland niet slagen voor het Europese examen.

“Ik zou het liefst zien dat het volgende kabinet kiest voor één of twee grote stappen”, zegt Maas. “Dan zijn we eindelijk van het gehijg af om het financieringstekort op het tijdpad te houden. Het kan me niet schelen of het tekort teruggaat naar nul of één procent, als het maar laag genoeg is. Dan kan het tekort tijdelijk oplopen als de economie tegenzit om weer te dalen zodra de economie aantrekt.”

Een drastische aanpak van het financieringstekort is, aldus Maas, goed voor Nederlands imago in verband met de EMU en ook bestuurlijk valt het te preferen. “Want dan ben je in staat om de overheidsuitgaven aan te passen aan veranderingen in de samenleving zonder voortdurende discussies over bezuinigingen. Dan krijg je een normale, gezonde discussie over meer of minder. De overheid hoort een afspiegeling te zijn van de samenleving en als de samenleving verandert, moet de overheid zich kunnen aanpassen. Als het financieringstekort domineert, kom je nooit aan belangrijke maatschappelijke discussies toe. Dus zeg ik: "grote stappen, snel thuis'. Maar ik ben er niet van overtuigd dat het ook zal gebeuren. Zoiets is in Den Haag politiek niet haalbaar.”

Nederland is al tien jaar in goede en slechte tijden bezig om het financieringstekort te verminderen. In dat verband doet Maas een voor een schatkistbewaarder opmerkelijke uitspraak: “Bij de huidige lage groei is een tekort van 2,5 à 3 procent best acceptabel. Als ik zeker wist dat het tekort zal inzakken zodra volgend jaar de groei aantrekt, dan zouden we verder niets hoeven te doen. Maar zo is het niet.” Het niveau van de Nederlandse overheidsuitgaven is immers structureel te hoog, zodat ook in de afgelopen jaren van forse economische groei het financieringstekort groot was.

In september moet Nederland in Brussel het economische programma verdedigen dat toetreding tot de economische en monetaire unie mogelijk moet maken. Dit is opgesteld door de Centraal Economische Commissie (CEC), een groep topambtenaren met grote invloed op het kabinetsbeleid. De CEC kiest voor een "geïntegreerde aanpak': naast het financieringstekort zijn ook andere factoren die de concurrentiepositie van Nederland in een open Europese markt beïnvloeden van belang. Financiën, dat traditioneel nadruk legt op begrotingssanering, was gevoelig voor argumenten van Economische Zaken om de hoge collectieve lasten en de achterstand in infrastructurele investeringen niet verder te laten oplopen.

Maas aarzelt bij een voorstel van minister Andriessen (Economische Zaken) om een tijdschema voor verlaging van de collectieve lastendruk vast te stellen. “Op lange termijn is het effectief, maar het leidt tot voortdurende bijstelling. Je weet wel wanneer je een bepaald niveau moet bereiken, maar niet welke maatregelen zullen worden genomen.” En hij zwijgt veelzeggend als de verwarring ter sprake komt die vorige maand in Den Haag heerste toen iedere minister en politicus met een eigen plan voor aanpak van de lastendruk kwam.

Aan lastenverlaging gaat volgens Maas een inhoudelijke afweging vooraf: als de collectieve lastendruk te hoog is, moet maatschappelijk en politiek Nederland de vraag maar beantwoorden waar de overheid een stap moet terugdoen. “Je moet je dan afvragen of je voorzieningen als studiefinanciering, de OV-jaarkaart voor studenten of subsidiëring van huisvesting wilt handhaven.”

Het debat over de collectieve lastendruk en verlaging van de inkomensoverdrachten zal de komende jaren een belangrijk pakket werk voor de nieuwe thesaurier-generaal met zich meebrengen, verwacht Maas. Daarnaast zal zijn opvolger, drs. H.J. Brouwer, zich ongetwijfeld ook intensief met de Europese toekomst bezighouden. Een zware taak zal zijn het politieke momentum voor de Europese integratie vast te houden. Maas: “Daaraan moet heel hard worden gewerkt. De EMU komt niet automatisch.”

Foto: Maas: “Overheidsfinanciën structureel uit het lood.” (Foto's NRC Handelsblad/Vincent Mentzel)