Servische bewind is zeer verlegen met sancties

BELGRADO, 3 JUNI. Of de Servische president, Slobodan Milosevic, bij machte zou zijn om, als hij dat wilde, een einde te maken aan de bombardementen op Sarajevo en de gevechten elders in Bosnië-Herzegovina, wordt door de meeste waarnemers in Belgrado betwijfeld. “In Bosnië zijn krachten aan het werk die zich van niets meer iets aantrekken: niet van Milosevic, niet van de Verenigde Naties en ook niet van enige gemaakte afspraak”, meent een jonge Servische intellectueel.

De beëindiging van de oorlog in Bosnië-Herzegovina is de officiële drijfveer voor drastische sancties tegen Servië en Montenegro. Maar binnens- en buitenskamers wordt in Belgrado steeds meer gespeculeerd over de mogelijkheid dat de ontberingen die door de sancties het Servische volk worden opgelegd zouden kunnen bijdragen aan de val van Milosevic, de leider die wordt gezien als de man die in het voormalige Joegoslavië het virus van het extreme nationalisme heeft geïntroduceerd.

“Milosevic is moe, en zal het niet lang meer maken”, speculeerde deze week een Amerikaanse woordvoerder. Zo eenvoudig, denken sommigen, zal het echter niet zijn. “Hij is een geslepen politicus”, aldus een Servische journalist. “Maar hij komt steeds meer alleen te staan. De orthodoxe kerk - dat is bijna uniek in de Servische geschiedenis - heeft zich van hem afgekeerd. En de intellectuelen wensen evenmin nog iets met hem te maken te hebben.” “Ook meer eenvoudige mensen”, meent een ander, “moeten zich afvragen waarom Servië, dat in twee wereldoorlogen aan de goede kant stond - iets waarop velen trots zijn - nu plotseling door de hele wereld is verlaten.”

Over de vermogens van de zwakke en verdeelde oppositie om het roer over te nemen maakt niemand zich illusies. “Die oppositie heeft nauwelijks een duidelijk programma, niet over de economie en niet over het probleem van de Serviërs in de andere republieken”, meent een diplomaat. In kringen van kritische intellectuelen hoopt men dat op de golven van onvrede onder het volk, teweeggebracht door de gevolgen van de VN-sancties, het Joegoslavische leger zich tegen de president zal keren. “Ik denk ook dat het leger zal inzien dat, gezien de internationale afkeer van Milosevic, zijn val voor het leger de enige mogelijkheid is om iets te redden van de veroveringen in Kroatië en Bosnië”, aldus deze bron.

Milosevic en zijn regering gedragen zich inmiddels als een kat in het nauw. De president heeft zich nauwelijks in het openbaar geuit over de VN-maatregelen; in twee korte verklaringen klampte hij zich vast aan het feit dat meer dan zestig procent van de Servische kiezers zich zondag naar de stembus heeft begeven voor de omstreden parlementsverkiezingen. Milosevic' partij, de ex-communistische SPS, zou volgens eerste schattingen 57 procent van de stemmen hebben behaald, de extreem-nationalistische Servische Radicale Partij, de enige oppositiegroep die meedeed, zo'n dertig procent.

Milosevic schilderde voor radio Belgrado het opkomstpercentage bij deze door de voornaamste Servische oppositiepartijen geboycotte verkiezingen af als een resoluut antwoord op “pogingen tot buitenlandse inmenging”. De eerste beschikbare cijfers geven de president vermoedelijk niet uitsluitend reden tot vreugde. In Belgrado is slechts 51 procent opgekomen, een voor lokale begrippen ongekend laag percentage. Premier Radovan Bozovic meldde gisteren opgewekt te verwachten dat de sancties over twee weken weer opgeheven zullen zijn, zonder voor deze verwachting veel andere argumenten aan te dragen dan dat de wereld alsnog van het Servische gelijk zal worden overtuigd.

Uit het betoog van de Servische premier bleek ook dat de overheden nauwelijks iets doen aan crisisplanning in de economie. Bozovic wees resoluut elke aanzet tot centrale leiding of distributie van schaarse artikelen af en wil vasthouden aan het - nog maar nauwelijks ingevoerde - marktmechanisme in de economie. In kringen van fabrieksdirecteuren wordt naar verluidt geklaagd dat de regering niet bij machte lijkt ideeën te ontwikkelen voor het opvangen van de sancties.

In Westerse kring mag dan misschien reikhalzend worden uitgezien naar een val van de Servische president, algemeen bestaat ook het gevoel dat de sancties tegen Servië zo'n beetje het eindstation zijn van een jaar vruchteloos bemiddelen en proberen onderhandelingen te entameren tussen partijen die vastbesloten lijken hun oorlog voort te zetten. “Bemiddeling en onderhandeling veronderstellen een zekere compromisbereidheid”, merkt een diplomaat op, “en die ontbreekt volkomen.”

Ofschoon de Servische partij algemeen als de hoofdschuldige voor de oorlog wordt beschouwd, is het gebrek aan onderhandelingsbereidheid geenszins een uitsluitend Servische zaak. De Kroatische president, Tudjman, bijvoorbeeld verklaarde vorige maand nog dat Kroatië elke centimeter grond zal heroveren, “mét de VN-troepen of desnoods zonder hen”. Dat is in flagrante strijd met het door alle partijen aanvaarde plan-Vance, dat voorziet in de demilitarisatie van de door Serviërs veroverde gebieden, de terugkeer van de gevluchte bevolking en handhaving van de politieke status-quo totdat de status van de omstreden gebieden per vredesconferentie is geregeld.

Met of zonder sancties, de waarnemers in Belgrado die menen dat de burgeroorlog al op zijn eind loopt zijn met een lantaarntje te zoeken. En het militaire ingrijpen van buiten, waarover de laatste weken steeds vaker gespeculeerd wordt? “Ik denk niet dat velen daarvan de praktische zin inzien”, meent een diplomaat. “Maar de publieke opinie in het Westen verandert snel. Niemand had drie maanden geleden gedacht dat het ooit tot deze sancties zou komen. We staan met de rug tegen de muur, als we in het voormalige Joegoslavië nog iets willen bereiken.”