Privatisering moet positie van toezichthouder versterken; Verzekeringskamer "gelijkwaardig'

De Tweede Kamer behandelt morgen het wetsvoorstel de Verzekeringskamer te verzelfstandigen in een stichting. De Verzekeringskamer houdt toezicht op de verzekeringsmaatschappijen, pensioen- en spaarfondsen.

DEN HAAG, 3 JUNI. De twee andere toezichthouders in de financiële sector, De Nederlandsche Bank en de Stichting toezicht effectenverkeer, hebben al sinds jaar en dag een privaatrechtelijke status. Dat dit lot nu ook de Verzekeringskamer is beschoren, heeft te maken met het privatiseringsstreven van de jaren tachtig, maar vooral met het streven naar "gelijkwaardigheid'.

Actuarissen, registeraccountants en andere specialisten mijden de ambtenarenstatus bij de Verzekeringskamer en prefereren een veel lucratievere baan in het bedrijfsleven. Wie namens de Verzekeringskamer aan één tafel zit met vertegenwoordigers van verzekeraars en pensioenfondsen, veelal op directie- en managementniveau, heeft, in de woorden van minister Kok (financiën) en staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) recht op “een zekere gelijkwaardigheid”. Kennelijk is dat nu ver te zoeken.

Jonge actuarissen blijken gemiddeld na twee jaar te kiezen voor een verdere loopbaan bij een verzekeraar of pensioenfonds. Bovendien gaat de meerderheid van de huidige actuarissen binnen vijf jaar met pensioen. Het inhuren van externe actuarissen is onmogelijk omdat dan al snel het probleem opdoemt dat de actuaris die de stukken (van bijvoorbeeld een verzekeraar) heeft opgesteld, diezelfde stukken in dienst van de Verzekeringskamer moet controleren.

Net als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid zal de privatisering niet leiden tot lagere kosten. Integendeel: volgens secretaris drs. P.J.C. Keizer van de Verzekeringskamer zullen de kosten na de privatisering, als wèl concurrerende salarissen kunnen worden uitbetaald, op korte termijn met liefst 30 procent stijgen. Daarbij speelt ook een rol dat de Verzekeringskamer nu weliswaar 125 formatieplaatsen telt maar, bij gebrek aan belangstelling, slechts 115 personeelsleden in dienst heeft (van wie twaalf registeraccountants en vijf actuarissen). Op langere termijn verwacht Keizer dat de kosten weer dalen naar het huidige niveau, omdat het huidige personeelsbestand sterk is vergrijsd.

Overigens worden de kosten van de Verzekeringskamer niet door de overheid maar door de verzekeraars en de pensioen- en spaarfondsen gedragen. Zij hebben, via het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen en de Stchting voor ondernemingspensioenfondsen, al laten weten het geld voor een beter functionerende Verzekeringskamer graag ter beschikking te stellen.

Daarbij speelt ook een rol dat zo'n "verbeterde' Verzekeringskamer meer in de toekomst kan kijken en onderzoek kan doen. “Wij beschikken over het beste informatiebestand. Dat kunenn we gebruiken om voor marktsegmenten toekomstige ontwikkelingen te schetsen”, zegt Keizer.

Beide regeringspartijen, CDA en PvdA, zullen vóór de verzelfstandiging stemmen. Toch bestonden bij de PvdA lange tijd aarzelingen. “Ik vroeg me af of de instellingen die onder toezicht staan de hogere kosten alleen willen dragen als de Verzekeringskamer in een stichting wordt ondergebracht. Maar Financiën ontkent in alle toonaarden dat dit het geval is,” zegt PvdA-fractie-woordvoerder P.E. van Heemst. Hij wil morgen een amendement indienen dat na drie jaar voorziet in een evaluatie van de verzelfstandiging.

CDA-specialist M. Smits voelt niets voor zo'n evaluatie. “Het jaarlijkse, gedetailleerde verslag van de Verzekeringskamer kan altijd op de politieke agenda worden geplaatst”, zegt hij. Smits overweegt wel een motie in te dienen waardoor minister Kok de verzelfstandiging niet als "grote efficiency-operatie' mag meetellen. “Er verdwijnen wel 115 ambtenaren, maar die kwamen niet voor rekening van de overheid”, zegt hij. Ook wil Smits dat de Verzekeringskamer, die nu de verzekeraars wèl maar de pensioen- en spaarfondsen formeel niet haar wil kan opleggen, ook jegens die laatste categorie een “aanwijzingsrecht” krijgt.

Ook als de Verzekeringskamer is verzelfstandigd blijft de overheid via regelgeving de omvang en de inhoud van het toezicht bepalen. Ook de benoeming van het stichtingsbestuur en van de raad van toezicht en de pensioenraad valt onder de verantwoordelijkheid van de minister. Overigens kent de Verzekeringsraad van oudsher een bij wet verleende zeer grote mate van autonomie. Zoals de verzekeraars en de pensioenfondsen doorgaans minder in de publiciteit staan dan de banken, staat ook de terughoudendheid waarmee de Verzekeringskamer opereert in schril contrast tot de allure waarmee De Nederlandsche Bank naar buiten treedt. Toch is het belang van de Verzekeringskamer, opgericht in 1923 en gevestigd in Apeldoorn, er niet minder om. De pensioenfondsen en de verzekeraars beheren in feite het kapitaal van Nederland, honderden miljarden guldens groot, en de Verzekeringskamer ziet erop toe dat ze dat zorgvuldig doen.

De verzelfstandiging van de Verzekeringskamer staat ogenschijnlijk los van de grote fusies tussen banken en verzekeringsmaatschappijen, zoals die tussen Rabo en Interpolis en tussen NMB/Postbank en Nationale Nederlanden die leidde tot de Internationale Nederlanden Groep (ING). Tot de verzelfstandiging werd namelijk eerder, op 29 april 1988, door het toenmalige kabinet besloten.

Toch is er een duidelijke link. Eind april zei president-directeur Duisenberg van De Nederlandsche Bank in deze krant, dat er “een probleem is tussen de toezichthouders over wie wat doet”. De centrale bank ziet toe op de banken, de Verzekeringskamer op de verzekeraars, maar beide toezichthouders zien alleen toe op de werkmaatschappijen. Conglomeraten zoals ING vallen formeel buiten het toezicht. Via een "protocol' hebben De Nederlandsche Bank en de Verzekeringskamer werkafspraken gemaakt over de informatie die de conglomeraten aan elk van de toezichthouders moeten leveren. Bekeken wordt nog of dit protocol een wettelijke basis moet krijgen.