Musketiers

Destijds - een onbehoorlijk aantal jaren geleden - verslond ik het geesteskind van Alexander Dumas: De Drie Musketiers.

Gisteren toen ik een bedaagd wandelingetje maakte in het Bois de Boulogne, dat grenst aan het Stade Roland Garros, meende ik een ogenblik d'Artagnan in woeste galop langs te zien denderen. Hij achtervolgde een vijand of zat achter een schone dame aan. Beide werkzaamheden placht hij met zwier en charme te verrichten, al stoorde het mij dat hij in een paar hoofdstukken van het boek zijn hart had verpand aan een getrouwde kruideniersdochter die blijkens de illustraties nauwelijks op schoonheid kon bogen en al helemaal niet op intelligentie. Wat mij aantrok in de heren Arthos, Aramis, Porthos en d'Artagnan was hun combinatie van moed en luchthartigheid. Voor een scholier die liever voetbalde dan huiswerk maakte was het de kennismaking met een droomwereld.

Het aardige van Parijs en het Bois als ontmoetingspunt is nu evenwel, dat de eerste musketiers een bedenksel waren van een met fantasie toegeruste schrijver, maar dat de opvolgers van d'Artagnan en de zijnen het racket even talentvol hanteerden als hun voorgangers zwaarden en dolken. En die tweede categorie was echt: Jean Borotra, Henri Cochet, Pierre Brugnon en René Lacoste. Zij brachten Frankrijk als tennisnatie aan de top van de wereld, veroverden en behielden de Davis Cup rond het begin van de jaren dertig. Borotra was d'Artagnan. Hij had de zwier van een ridderlijke 17de eeuwse musketier, zijn racket flitste als een rapier door de lucht en met een Baskische muts op het hoofd sprong hij als een antilope langs het net. Ook wel eens er overheen, om de felicitaties van zijn verslagen tegenstander in ontvangst te nemen.

Toch waren Borotra en de zijnen niet te vergelijken met de toppers van nu. Om te beginnen werkten zij naast het tennis. Borotra vloog soms op de dag dat hij op Wimbledon moest spelen naar Londen. Men heeft hem vanuit de kleedkamer met zakenrelaties horen telefoneren, want hij was een druk bezet man. Hij speelt trouwens nog. Elke week rijdt de ruim 90-jarige naar een Parijse tennisclub en slaat een rustig balletje. Hij pakt tevoren zijn knieën goed in, want zelfs zijn ooit zo buigzaam frame is aan slijtage onderhevig. Zijn conversatie is intussen levendig gebleven en als het meezit mag hij aanstaande zondag de zilveren “Coupe des Musquetairs” even vasthouden voordat Courier - of iemand anders - er zijn sterke handen naar uitstrekt. Maar hoe beroemd en ternauwernood sterfelijk ook, Jean Borotra is niet de laatste musketier die Frankrijk heeft voortgebracht. Daar is altijd nog Henri Leconte, 28 jaar, kwetsbaar door een bijna-versleten rug, weggezakt naar een 200ste plaats op de wereldranglijst en desondanks op moment van schrijven de tennis-musketier waarop het land zijn hoop heeft gevestigd. In Frankrijk heerst de Leconte-koorts. De man die eerder dit jaar bijna niets presteerde, in Australië, Rotterdam, Monte Carlo en München er steeds in de eerste ronde uitvloog, die door zijn vriend Noah voor de enkelspelen van de Davis Cup tegen Zwitserland werd gepasseerd, die werd in de maandagochtendkranten eendrachtig naar de finale geprofeteerd. “Il Henri encore” kopte l'Equipe.

Leconte is een kind van Alexander Dumas. Hij draagt de reputatie van een boeiende avonturier met zich mee. Dat hij in de dagelijkse gang der dingen waarschijnlijk gewoon kwaad wordt als hij zijn linkerschoen niet kan vinden en dan helemaal de onverschrokken hemelbestormer niet uitstraalt, dat maakt niet uit. Garbo had ook wel eens jeuk op een plek waar ze niet bij kon. Het gaat niet om de kleine dingen die voorbijgaan, maar om de grote optredens. Op het Court Central staat Henri Leconte zijn tennis-onsterfelijkheid te bewijzen. En Frankrijk leeft dusdanig met hem mee, dat een serieus journalist (een beperkte groep dus) hem adviseerde de dag voor de wedstrijd tegen Filippini zo min mogelijk de telefoon aan te nemen. Geen nutteloze vermoeienissen! Leconte is geen gewoon mens, die goed kan tennissen. Hij is een raadsel dat net zo gemakkelijk schitteren kan als falen. Nog even verder doorfantaserend zou gezegd kunnen worden dat hij niet bestaat. Althans niet als Henri Leconte. Met zijn woeste haardos en zijn avonturiersuiterlijk moet hij een voortbrengsel zijn van het Frankrijk van enkele honderden jaren geleden, toen schrijvers beweerden dat moed en risico alle andere deugden overtroffen. Ik zag ooit een foto van Henri Leconte op een motor. Het plaatje zag er dreigend uit, maar het toonde een 20ste eeuwer, een kind van 1992.

Jammer, Henri, je hoort op een paard te zitten.