Keus uit kwaden dagelijks werk voor "wegzendofficier'; "Soms denk je: doe maar, laat hem maar lopen, in godsnaam.''

ROTTERDAM, 3 JUNI. Mr. W.F.H. Hendriks is niet uitgesproken populair binnen het arrondissementsparket van Rotterdam. “Soms kom ik tijdens de lunch een boze collega tegen die me vraagt wat ik nu in godsnaam weer heb uitgehaald. Maar ik leg het ze niet meer uit. Ik voer ook geen overleg meer met hen, want het is toch nooit goed, wat ik ook besluit.”

Hendriks is sinds vier jaar "wegzendofficier'. Een frustrerende taak, waar binnen het parket in zijn eigen woorden “niet driftig naar wordt gesolliciteerd”. Hij moet besluiten welke verdachten die de rechter-commissaris in voorarrest heeft genomen maar voor wie niet voldoende celruimte beschikbaar is, worden weggestuurd.

Hendriks werd wegzendofficier in 1988, op een moment dat door nieuwbouw van onder andere het huis van bewaring De Schie het cellentekort in Rotterdam geen groot probleem meer was. Nu is de situatie volgens hem te vergelijken met de vroege jaren tachtig. In de eerste drie maanden van dit jaar heeft hij al 150 verdachten op vrije voeten gesteld. Met “speciale wensen” kan hij nauwelijks rekening houden: “Verdachten die geen onderling contact mogen hebben, zet ik vaak gewoon op dezelfde vleugel.”

Sinds begin vorig jaar zijn in Rotterdam 329 mensen in de (zwaarste) A-categorie weggestuurd. Ging het vorig jaar nog om 15 tot 35 personen per kwartaal, in 1992 werden alleen al in de maand februari 66 vaak zware criminelen vrijgelaten. In heel Nederland zijn in de eerste vier maanden van dit jaar 900 verdachten op vrije voeten gesteld. Minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Kosto (justitie) besloten daarom gisteren via een reeks noodmaatregelen binnen enkele weken 175 tot 200 extra cellen in gebruik te nemen.

Hendriks, een stevige vijftiger met een Kennedy-kapsel, vindt de cijfers nog geflatteerd. “Het openbaar ministerie besluit steeds vaker een verdachte maar niet meer voor te geleiden, omdat het toch niet lukt hem op te sluiten.”

Soms pakken zijn beslissingen verkeerd uit. Begin april werd een 25-jarige man, verdacht van een gewapende overval op een juwelier, op vrije voeten gesteld. Een dag later werd hij gearresteerd terwijl hij met een pistool iemand bedreigde. “Pure ellende was dat”, zegt Hendriks. “Maar de keus was tussen een overvaller en een overvaller.”

Bij zijn beslissingen heeft de wegzendofficier geen tijd voor karakterstudie. Hij doet het met de gegevens die de officier van justitie heeft vermeld in de "vordering-bewaring' en eventueel wat documentatie. Hendriks: “Er is natuurlijk een hiërarchie. Eerst krijg je de geweldsdelicten - gewapende overvallen, zware mishandelingen, verkrachtingen. Dan komen opiumzaken, die voorrang hebben omdat de verdachten meestal geen banden met Nederland hebben. En daarna komen de inbraken, waar weer een onderscheid bestaat tussen inbraken in woningen, bedrijfsgebouwen en auto's.”

“Het leed dat je de slachtoffers berokkent door zo'n man weer vrij te laten, is een belangrijke factor. Maar wat telt zwaarder, een bankovervaller die twintig mensen gijzelt en de stuipen op het lijf jaagt, of een man die een vrouw verkracht?”

Het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats geldt ook als een overweging. In de praktijk maakt een criminele illegaal daarom meer kans op een cel dan een autochtoon, maar op dit punt van de discussie haast de persofficier R. Gerding zich te verzekeren dat er principieel geen onderscheid wordt gemaakt. Vrouwelijke verdachten maken daarentegen een zeer grote kans om vrij te komen, omdat voor hen erg moeilijk een plaats is te vinden.

Hendriks heeft ook nog rekening te houden met de politie. Het aantal uren dat in een zaak is geïnvesteerd, speelt bij zijn beslissing vaak een rol, aldus Hendriks. En soms, als een van de verdachten bijvoorbeeld al op transport naar een huis van bewaring is, gelden er helemaal geen overwegingen meer. “Dan denk je, doe maar, laat hem maar rijden en de ander maar lopen, in godsnaam.”

Er zijn nog andere beperkingen. Zo zijn er in Rotterdam cellen gereserveerd voor subsidiair gestraften, mensen die hun boetes niet betalen. “Frustrerend maar onvermijdelijk. Zo'n lege cel maakt dat mensen hun boetes blijven betalen. Maar een verkrachter loslaten terwijl er lege cellen zijn, dat is moeilijk uit te leggen.”

Het beleid van het ressort Den Haag speelt volgens Hendriks een rol bij de Rotterdamse problemen. “In andere ressorten fungeren politiecellen als een reservetank. In begin jaren tachtig was de norm dat een verdachte hoogstens drie weken in de politiecel mocht zitten nadat was besloten hem in voorlopige hechtenis te nemen. Medio jaren tachtig is dat aantal dagen weer teruggeschroefd. In het ressort Den Haag mag een verdachte van zijn voorlopige hechtenis nu geen dag in de politiecel doorbrengen. Elders kijkt men minder nauw.”

De maatregelen van het ministerie stemmen Hendriks tevreden. “Meer cellen, dat is essentieel.” Maar ook de gebrekkige communicatie binnen justitie, waardoor de celruimte niet optimaal wordt benut, verdient verbetering. “Waarom het ons niet lukt een eenvoudig informatiesysteem op te zetten, is me een raadsel. Elk hotel is in staat het aantal leegstaande kamers te registeren.” En misschien zouden beslissingen voor het wegzenden van verdachten op een hoger niveau genomen moeten worden, denkt Hendriks, zodat hij geen debat meer hoeft te voeren met een collega uit Dordrecht over het vrijlaten van een plaatselijke inbreker in ruil voor een Rotterdamse overvaller.