Bloemschikken

Het examen is moordend: van 9 tot 11 Bedrijfskunde, van 11 tot 12 Esthetische Vorming, van 1 tot 2 Nomenclatuur, van 2 tot 3 Algemene Vakkennis, van half 4 tot 4 Adviezen en van 4 tot 5 Plantenkennis. De bijna 500 kandidaten in de zweterige Veluwehal in Barneveld staan voor een zware opgave: om het diploma "Vakbekwaamheid Bloemschikken' te behalen, moeten ze behalve dit loodzware theoretische examen ook nog een praktijkexamen afleggen.

De zaal is opgedeeld in vier "blokken' met aan het hoofd een "blokhoofd' die de gang van zaken nauwlettend in de gaten houdt. De opgaven worden rondgedeeld door twintig studenten uit Wageningen. Een van hen: “Je ziet de meest verschillende types; snelle jongens die een eigen zaak willen beginnen, kwekers met rouwranden onder hun nagels, secretaressetypes en huisvrouwen die wat te doen willen hebben”.

Helene (31, werkt op Schiphol maar wil iets met bloemen gaan doen) zit in de pauze na Esthetische vormgeving/Kunstgeschiedenis achter een bak patat in de kantine. Ze is uitgeteld. “Wat een afknapper. Die vragen! Bij Bedrijfskunde vroegen ze wat voor bloemstuk je het best aan een jubilerende slager kan geven. Iets hygiënisch, heb ik geantwoord, zodat het vlees niet bederft!”

Helene is met name verbolgen over de Kunstgeschiedenis: “Wat heb ik nu met Karel Appel te schaften? Ik ga toch geen kunsthandel beginnen?” Samen met vriendin Wietie (werkt bij de bakker) neemt ze vraag 17 door: “Waarom werden er in de Renaissance geen felle kleuren gebruikt?” Helene wijst op de plunderingen in die tijd. Volgens haar werden felle kleuren vermeden, omdat die de plunderaars extra zouden aantrekken. Wietie antwoordde dat “felle kleuren voor de goden waren en niet voor de mensen”.

Verderop bereiden Els (20, haar vader heeft een tuincentrum) en Tamara (18, wil een eigen zaak) zich voor op de Nomenclatuur: een dictee waarbij examenleider W. Lemair 15 Latijnse plantennamen voorleest, die, zo meldt hij vooraf nadrukkelijk “correct dienen te worden opgeschreven, dus inclusief streepjes en komma's”.

De verdwaasde deelnemers worden vervolgens geconfronteerd met de "Hydranchea Macrophylla', de "Polarchonium Craveolens' en de "Sanseveria Triphasiata Laurentii'. Een van de deelnemers, een jongeman in de kracht van zijn leven, krijgt het te kwaad bij de Zanthedesia Ethiopica. Door de gierende stress speelt de patat uit de pauze op en achtervolgd door een student uit Wageningen rent hij brakend naar de zijuitgang. Aan de andere kant van de zaal vraagt een student de examenleider namens een van de kandidaten om een aspirientje. Het is nog een heel gedoe om er een te vinden. Lemair: “Bij het praktijkexamen, waar de kandidaten 5 werkstukken moeten maken, hebben we altijd een complete verbanddoos bij ons. Sommige mensen zijn dan zo zenuwachtig, dat ze zich in de vingers knippen of in de armen zagen”.

Het examen bloemschikken is een staatsexamen, waaraan iedereen mag deelnemen. Toch vormen de "autodidacten' een kleine minderheid: de meeste kandidaten hebben zich voorbereid via de eenjarige commerciële opleiding, die 3.000 gulden kost, of via de tweejarige opleiding, die wordt gesubsidieerd door het ministerie van landbouw. Hoe zwaar het “landelijk vestigingsexamen vakbekwaamheid bloemschikken” is, blijkt wel uit het feit dat slechts 30 procent in één keer slaagt. Het praktijkexamen is hierbij een groter struikelblok dan het schriftelijk.

Het vierde onderdeel is de Algemene Vakkennis. Ook de studenten uit Wageningen neuzen vol belangstelling in de opgaven en buigen zich en groupe over vraag 30: “Welke vier technieken zijn er om text op een graflint te krijgen?” Lemair fluistert ze het antwoord in: 1. drukken, 2. met plak- of strijkletters, 3. schrijven met stift, 4. per computer.

Het vak Plantenkennis vormt de climax. Bij dit onderdeel dragen de studenten 25 planten door de zaal langs een precies omschreven route. De kandidaten dienen de juiste, Latijnse namen op te schrijven. Volgens Lemair is dit “het leukste deel van het examen”. Terwijl de studenten met hun planten statig langs de tafeltjes schrijden, strekken zich de halzen van de kandidaten. Nog even en dan mogen ze naar huis. Lemair vindt het logisch dat het examen zo zwaar is: “Als iemand bij je in de winkel komt en hij wil een Euphorbia Marginata, moet je als bloemist wel van wanten weten. Anders moet je maar op de markt gaan staan”.