Telewerk geschikt voor kwart werknemers

ROTTERDAM, 2 JUNI. In Nederland komen tussen de 1,3 en 1,9 miljoen werknemers in aanmerking om tenminste een dag in de week thuis of in een buurtkantoor te "telewerken'. Daar zitten zowel voor de betrokkenen als voor hun werkgevers meer voordelen dan nadelen aan. Bovendien zou het de nationale economie stimuleren.

Dit staat in het vandaag verschenen rapport "Telewerk blijft maatwerk', dat in opdracht van de Stichting Platform Telewerken Nederland (in oprichting) is opgesteld door het Studiecentrum voor technologie en beleid TNO en de Universiteit Twente.

Telewerken wordt al jaren een veelbelovende toekomst voorspeld. Want menigeen zou maar wat graag (een deel van) zijn werk thuis achter de computer willen doen met telefoon en fax onder handbereik. Het zou goed zijn voor het milieu en tegen de files. Het zou de starheid van organisaties doorbreken en werknemers extra motiveren. Kortom, een panacee tegen vele kwalen in de moderne samenleving.

Maar buiten de bakermat Californië, waar inmiddels tussen de 6 en 10 procent van de werknemers als (deeltijd-)telewerker wordt aangemerkt, is telewerken niet erg aangeslagen. Er lijkt volop belangstelling voor, maar betrouwbaar empirisch onderzoek ontbreekt nagenoeg volledig. Daarom wilde het platform, waarin vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en de telecommunicatie- en computerbranche zitten, wel eens weten of telewerken in Nederland op grote schaal überhaupt een kans maakt, hoe de kosten en baten uitvallen en welke "invoeringsstrategie' eventueel de voorkeur verdient.

De onderzoekers bestudeerden de literatuur, interviewden deskundigen en polsten bedrijven. Ze kozen een ruime definitie van telewerken: “Telewerken betreft arbeid waarbij als gevolg van het aanwenden van informatie- en communicatietechnologie de arbeidslocatie voor tenminste 20 procent van de arbeidstijd is gescheiden van de locatie van de werk- of opdrachtgever”. Met behulp van de gangbare beroepenclassificatie werd het deel van de beroepsbevolking getraceerd dat zeker (25 procent) of waarschijnlijk (oplopend tot 37 procent) in aanmerking komt voor telewerken. Zo komen zij op tussen de 1,3 en 1,9 miljoen werknemers, voor het overgrote deel werkzaam in economische-administratieve (onder anderen boekhoudkundigen, typisten, handelsagenten, makelaars) en sociaal-culturele beroepen (zoals maatschappelijk werkers, bemiddelaars, sociale wetenschappers).

Over de kosten en baten van telewerken kunnen volgens projectleider drs. R.A.M. Meijer van TNO “alleen met de grootste voorzichtigheid” uitspraken worden gedaan. Niet alleen omdat er weinig bruikbaar onderzoek beschikbaar is, maar ook omdat ze heel moeilijk te meten zijn. “Ze hangen nauw samen met de beoogde doelstelling van het telewerken en die verschilt bijna van geval tot geval”, zegt Meijer.

In het rapport is een uitvoerige inventarisatie van de potentiële kosten en baten van telewerken gemaakt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen telewerken als oplossing voor bedrijfsorganisatorische problemen (zoals sterke pieken of dalen in de werkzaamheden, een te logge organisatie of een sterke concurrentie), telewerken als oplossing voor personeels- of arbeidsmarktproblemen (zoals een groot verloop of een te krappe arbeidsmarkt en) en telewerken als oplossing voor macro-problemen (files, uitlaatgassen, parkeerellende of een gebrek aan integratie van bepaalde groepen op de arbeidsmarkt).

De belangrijkste "kosten' voor bedrijven worden gevormd door de inrichting van een extra werkplek en de geringere binding van telewerkers met hun bedrijf. Andere kostenposten betreffen de begeleiding van telewerkers, de aanpassingen van de interne organisatie en een te sterke verzakelijking van de contacten, hetgeen kan leiden tot gebrek aan samenwerking en creativiteit. De voornaamste "baten' liggen in een grotere flexibiliteit, een betere dienstverlening, het behoud van personeel, minder ziekteverzuim en beter gemotiveerde werknemers.

De belangrijkste "kosten' voor de telewerkers zelf bestaan uit een groter isolement, onzekerheid over werk en inkomen en de uitgaven voor de inrichting van de werkplek thuis. Daarnaast worden genoemd een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden, een gebrek aan carrièremogelijkheden en problemen als gevolg van het wegvallen van een duidelijke scheiding tussen werk en gezin. De mogelijkheid werk en gezin te combineren wordt echter, samen met de toegenomen flexibiliteit en autonomie, óók genoemd als belangrijk voordeel voor de telewerker. Andere "baten' betreffen een hogere eigen productiviteit, het behoud van werk en minder reistijd.

De onderzoekers concluderen dat de voordelen van telewerken de nadelen overtreffen, zowel voor de bedrijven als voor de telewerkers zelf. Uitzonderingen vormen de gevallen waarbij telewerk wordt ingevoerd als middel om de arbeidskosten te drukken en/of gevallen waarbij de werknemer min of meer gedwongen is te gaan telewerken.

Op "macro-niveau' ligt de afweging van kosten en baten aanzienlijk ingewikkelder. Ook hier wreekt zich dat de effecten nimmer uitvoerig zijn onderzocht. Toch is volgens Meijer ook hier de conclusie gerechtvaardigd dat telewerken “per saldo in de meeste gevallen neutraal of positief werkt”. Behalve voordelen op het vlak van verkeer en milieu, kan invoering van telewerken volgens hem met name de flexibiliteit van arbeidsorganisaties en het innovatief vermogen van ondernemingen ten goede komen. “Dat zijn twee economische aspecten die in de concurrentiestrijd een belangrijke rol spelen. Telewerken kan de flexibiliteit vergroten en dat kan ook passen bij bedrijven die zich willen beperken tot hun kernactiviteiten. Bovendien kunnen bedrijven door telewerken leren omgaan met organisatorische aspecten van datacommunicatie en dat kan goed van pas komen in een tijd waarin het omgaan met snelle veranderingen in de omgeving een steeds belangrijker overlevingsfactor wordt”, aldus Meijer.

De vele onzekerheden nopen volgens de onderzoekers tot een "invoeringstrategie' die alle ruimte laat voor maatwerk. Het platform zou daarbij de rol van aanjager van onderzoek en experimenten moeten vervullen, waarvoor jaarlijks een bedrag van 9 ton beschikbaar zou moeten komen, aldus de rapporteurs.