Sturende mens is geen slaaf van technologie

Er bestaat een lange culturele traditie die de moderne technologie als belangrijkste schuldige ziet aan veel problemen van de hedendaagse samenleving. Deze traditie leek enige tijd te zijn doorbroken. Recente ontwikkelingen in de sociaal-culturele wetenschappen en de wijsbegeerte beklemtonen steeds meer dat onze hedendaagse technologie kan worden beschouwd als een maatschappelijke geconstrueerd geheel. De aspiraties, wensen en verlangens van een aantal sociale groepen, niet alleen van de ontwerpers en de actieve gebruikers ervan, komen erin tot uitdrukking. Technologie wordt in deze benadering vooral gethematiseerd als een specifieke vorm van maatschappelijk handelen, waarin al dan niet fundamentele houdingen en mentaliteiten van mensen worden weerspiegeld.

In haar beschouwing "We zijn slaven van de technologie' (NRC Handelsblad, 12 mei) miskent Heleen Dupuis voor een belangrijk deel deze recente ontwikkelingen in techniekfilosofie en technologiedynamica. De hoofdlijn van haar beschouwing past uitstekend in de genoemde traditie die de technologie aanklaagt. Geheel in overeenstemming ermee roept de Leidse hoogleraar medische ethiek het beeld op van de technologie als zelfstandig handelend fenomeen. Er is sprake van de imperatief van de technologie, wij zouden ons passief onderwerpen aan de bevelen van de technologie, ons als slaven ervan gedragen. In filosofisch jargon worden deze stijlfiguren wel betiteld als een subject-object omkering. Het object van de menselijke scheppingskracht keert zich tegen zijn maker. Bepaalde versies van het Frankensteinmotief drukken de angst hiervoor op symbolische wijze uit.

Uit een dergelijke visie op autonome technologie is maatschappelijke verantwoordelijkheid moeilijk voorstelbaar. Je lijkt je alleen te kunnen verzetten als individu, neen roepen, zoals Dupuis schrijft. Dat je ook zou kunnen proberen greep te krijgen op de ontwikkeling van technologie, dat het de moeite waard is om pogingen tot sturing ervan te ondernemen, valt in deze benadering grotendeels buiten het gezichtsveld. Misschien kan dat moeilijk anders in een primair op het individu gerichte ethische benadering. Het lijkt mij echter wel noodzakelijk deze dan aan te vullen met meer maatschappelijk gerichte overwegingen.

Zoals gezegd wordt recentelijk steeds meer gewezen op het belang van de mentaal-culturele voorwaarden die technologische ontwikkelingen in het leven roepen en mogelijk maken. Historici zijn het erover eens dat de traditionele verklaring die de industriële revolutie en het ontstaan van de modern-industriële samenleving herleidt tot technologische ontwikkelingen ontoereikend is. In de geschiedwetenschap lijkt het algemeen aanvaard dat de nieuwe technische kennis en de uitvindingen van vooral de tweede helft van de achttiende en van de negentiende eeuw beantwoordden aan en pasten inreeds lang daarvoor begonnen veranderingen in mens en maatschappij. Om het scherp te stellen, typisch moderne verschijnselen als het nieuwe tijdsbewustzijn, de disciplinering van de Westerse mens en de mechanisering van zijn wereldbeeld, waren niet zozeer het gevolg van technische ontwikkelingen maar gingen er grotendeels aan vooraf. Zij vormden de vruchtbare aarde waarin de technologie eerst kon ontkiemen en vervolgens gedijen.

Eén van de grootste historici van de techniek, Lewis Mumford, laat daarom zijn, overigens al ruim voor de Tweede Wereldoorlog geschreven, meesterwerk "Technics and Civilization' beginnen in de vroege middeleeuwen, lang voordat er van de moderne technologische vindingen sprake is. De hierboven genoemde maatschappelijk-culturele verschijnselen begonnen zich toen al duidelijk te manifesteren. Zij bereidden mensen voor op de nieuwe technologie, riepen de behoefte eraan wakker, maakten dat deze geaccepteerd, ja zelfs enthousiast verwelkomd werd. Als een filosoof als Heidegger over moderne techniek spreekt, gaat het hem dan ook allereerst om deze culturele basishouding van de hedendaagse mens en niet om de materiële artefacten waarin deze houding zich uitdrukt.

Zijn deze beschouwingen over de brede relatie tussen technologie en maatschappij ook van toepassing op de medische technologie? Dat lijkt mij bij uitstek het geval. Op misschien geen ander terrein is de mentaal-culturele breuk tussen de traditie en de moderniteit zo scherp zichtbaar als op dat van de medische wetenschap. Bij beide zeventiende eeuwse aartsvaders van de moderne natuurwetenschap en technologie, Francis Bacon en René Descartes, staat de zorg voor de gezondheid centraal. Beiden verwachten van de medische wetenschap dat zij de grenzen van het leven steeds verder zal verschuiven. Met name Bacon zag in de verlenging van het leven een aparte, tot dan toe onbekende opdracht voor de arts. Hij was zich bewust dat hij hiermee niet de toentertijd reëel bestaande mogelijkheden van de geneeskunde beschreef, maar dat hij eerder een culturele lijn naar de toekomst uitstippelde. “Dit is een nieuwe taak en ondanks haar tekortkomingen de alleredelste”. Wanneer deze taak zich verder zou ontwikkelen, aldus Bacon, “zal de medische wetenschap niet geheel in beslag worden genomen door onwaardige geneeswijzen, dan zullen de geneesheren niet alleen geëerd worden omdat zij nodig zijn, maar als uitdelers van het grootste geluk dat stervelingen op aarde ten deel kan vallen”. De arts als cultuurheld van de moderne tijd kondigt zich hier al aan.

Op die moderne tijd loopt Bacon in gedachten vooruit in zijn technologische utopie "Het Nieuwe Atlantis'. In de lijst van wetenschappelijk-technologische verworvenheden aan het eind van dit onvoltooid gebleven manuscript staat de gezondheidstechnologie dan ook bovenaan. Na “de verlenging van het leven” komen “het herstel van de jeugd tot op zekere hoogte, de vertraging van de ouderdom” en “de genezing van ziekten die voor ongeneeslijk doorgaan”. Alle natuurlijk geachte grenzen worden hier doorbroken: de medische wetenschap wordt opgeroepen haar macht en kunde voortdurend verder te verschuiven.

In zijn befaamde manifest "Over de methode' doet Descartes dit nog eens dunnetjes over. Als zijn nieuwe methode ons in staat moet stellen om “heer en meester van de natuur te worden”, zoals de meest geciteerde passage uit dit geschrift luidt, dan wordt dit vooral geconcretiseerd in de gezondheidszorg. “Men behoeft dit (het heer en meester worden van de natuur) niet slechts te wensen voor het doen van technische vindingen waardoor men zonder moeite of inspanning in het genot gesteld zou worden van alle vruchten der aarde, en van al het gerief dat deze wereld kan bieden, maar vooral ook voor het behoud van de gezondheid, die ongetwijfeld de belangrijkste weldaad is en de basis vormt van al het overig geluk dat men in dit leven kan smaken”. Ook Descartes roept niet alleen, net als Bacon, gezondheid uit tot de hoogste waarde, maar verwacht tevens dat de ongemakken van de ouderdom door de medische technologie volledig afgewend kunnen worden.

Wat ik hier aan de hand van de voor de moderniteit grondleggende ideeën van Bacon en Descartes heb laten zien, wordt door Illich in de jaren zeventig op een veel bredere wijze historisch uitgewerkt. Ook uit de door hem beschreven historische veranderingen in de houding ten opzichte van pijn, ziekte, lijden en dood wordt duidelijk dat de medische technologie eerder beantwoordt aan een gewijzigde mentaliteit van de moderne mens dan dat ze hier de oorzaak van is. Het lijkt met andere woorden onjuist om de moderne mens als slaaf van een, kennelijk dan uit het niets voortgekomen, technologie voor te stellen. Eerder is het zo dat deze technologie een antwoord probeert te geven op zijn diepste wensen en verlangens.

Dat dit ook tegenwoordig nog het geval is, weet Heleen Dupuis als voormalig lid van de Commissie Keuzen in de Zorg maar al te goed. Om maar twee voorbeelden uit de rapportage van deze commissie te noemen, in de bijlagen bij het officiële rapport worden de culturele determinanten van medische consumptie breed uitgemeten, terwijl uit een in opdracht van de commissie verricht opinie-onderzoek blijkt dat de meerderheid der Nederlanders bereid is om zelfs het dubbele van de huidige ziektekostenpremie te betalen “zodat alles wat medisch mogelijk is door de ziekenfondsen en verzekeringen vergoed kan worden”.

In het licht van deze historische en actuele gegevens kan niet anders geconcludeerd worden dan dat wij de technologie krijgen die wij verdienen. Wie bezorgd is over deze situatie, en ik deel deze zorg met mijn Leidse collega, spant het paard achter de wagen door de technologie aan te klagen in plaats van de cultuur waaruit deze voortkomt te analyseren. Op deze wijze blijven bovendien de mogelijkheden om de technologie te sturen in plaats van haar te weigeren volledig onderbelicht.

Foto: "Het object van de menselijke scheppingskracht keert zich tegen zijn maker'. (Foto AP)