Spookmonument

In de donderdagagenda (NRC Handelsblad, 7 mei) schreef Tracy Metz over het op een symposium geopperd idee om de beroemde glazen wolkenkrabber van Ludwig Mies van der Rohe aan de Friedrichstrasse in Berlijn alsnog te bouwen.

Los van de uitspraak van Vittorio Lampugnani “dat het ontwerp van Mies elke architectonisch onderlegde Berlijner zo in de kop zit dat het nabouwen overbodig is”, is het de vraag of nabouwen wel verantwoord mogelijk is. Immers het gebouw is ontworpen in de toen met moderne architectuur verbonden materialen: staal, beton en glas. Let wel: helder glas. De bij het artikel getoonde perspectief laat daarover geen twijfel bestaan. Dat heldere glas is ook de essentie van het gebouw: een transparante massa, een stapeling van werkvloeren met een schier afwezige gevel. Door de puntvormige beëindigingen van de vloeren wordt die transparantie nog eens vergroot.

Van de gevolgen voor het binnenklimaat in zo'n glazen gebouw was in 1919 nog nauwelijks iets bekend. Die zijn intussen duidelijk geworden: 's zomers niet te koelen; 's winters niet te verwarmen. Ook is in de loop der jaren gebleken dat glazen vliesgevels redelijk betaalbare en onderhoudsarme gebouwen kunnen opleveren. De klimatologische problemen binnenshuis van gebouwen met glazen gevels zijn verminderd door zonwerend glas, dat echter behalve zonwerend ook in meer of mindere mate spiegelend wordt.

Het nabouwen in een uitvoering met spiegelend glas zou het ontwerp van Mies van der Rohe geweld aandoen en historisch zinloos worden. Het zou het omgekeerde teweegbrengen van wat in 1919 werd beoogd: een transparante massa die ruimtelijk inzicht geeft in de gebouwstructuur. Géén spiegelende massa die hoogstens een (vertekend) spiegelbeeld oplevert van de omgeving. Zou het ontwerp toch in transparant glas worden uitgevoerd dan zal het probleem moeten worden opgelost van het verkrijgen van een goed binnenklimaat bij een verantwoord energieverbruik. Geen sinecure.