Simultaan

“Jammer dat er zo weinig deelnemers zijn. We hadden gehoopt dat er meer mensen zouden zijn die uw naam nog kenden, maar dat viel een beetje tegen.

Nu ja, u kende ons ook niet zo goed, geloof ik.'' Toen hij had opgebeld en had gevraagd of ik de gemeente kende, waar ik de schaaksimultaan zou geven, had ik gezegd: natuurlijk, van de grote schrijver. Dat was niet zo'n gelukkig antwoord geweest, bedacht ik later, want dat antwoord hadden ze natuurlijk al bijna een halve eeuw tot vervelens toe van iedereen moeten horen.

We lopen over 't Schild. “Dat verhaal dat u blijkbaar zo mooi vindt, speelde zich hier af. Ik laat de plek maar even zien, al wordt er bij ons anders over dat verhaal gedacht dan bij u in het westen. Toen het een paar jaar geleden op de televisie werd vertoond, waren er in onze gemeente heel weinig toestellen ingeschakeld. Het percentage andersdenkenden is hier nooit boven de elf gekomen.”

Nu is er een braderie op 't Schild, reden waarom ik ook ben uitgenodigd. “Het is de grootste braderie uit de streek. We geloven zelfs dat er in het hele land niet zo'n grote braderie te vinden is. Daarom hadden we gehoopt dat de winkeliers wel wat zouden bijdragen aan uw kosten, maar dat viel tegen. Nu ja, we hebben leergeld betaald, zal ik maar zeggen. De mensen zijn verwend natuurlijk, twee jaar geleden hadden we hier Hans Böhm. Uw naam stond op een lijstje dat we van de bond gekregen hadden. Vreemd dat al die anderen niet beschikbaar waren. Zelf speelt u waarschijnlijk niet veel meer? Hier is het. We hebben de tafels maar in een klein vierkant gezet, dan lijkt het nog wat. Jammer dat de burgemeester op het laatste moment moest afzeggen. We zijn verwend natuurlijk. Mag ik iets vragen? Een van onze winkeliers heeft dit jaar een authentieke middeleeuwse schandpaal neergezet. Omdat er zo weinig deelnemers zijn, heeft u na afloop vast nog wel een uurtje om er even in te gaan staan. Het is voor onze jeugdafdeling, ze zijn nog wat speels. We hebben een paar goede jeugdleden trouwens, maar als ze echt door willen breken gaan ze naar Almelo natuurlijk, dat is jammer. Gelukkig is er nog wel iemand van de regionale radio gekomen. We hebben gehoord dat u het bondslied helemaal uit uw hoofd kan zingen. Mag ik u even meenemen?”

Ik zing het bondslied. Dan begint het schaken. Terwijl mijn stoffelijk omhulsel zijn rondjes langs de borden draait, ga ik over 't Schild naar de splitsing tussen de Elsenerstraat en de Boomkamp. Hier had de schrijver het grote gebeuren laten plaatsvinden. Door een tunnel onder de Boomkamp waren de zondaars door felle duiveltjes naar de hel gedreven, terwijl de uitverkorenen over een breed doek boven de Elsenerstraat onder begeleiding van engelen naar de hemel stegen. Ik denk na over de diepe onzedelijkheid van sponsoring en subsidie. Vroeger was een simultaanséance een feest, waar de deelnemers zich maanden van tevoren op verheugden. Ze betaalden zelf hun inleggeld. Als de simultaangever een partij verloor, moest hij betalen. Zo hoort het, zo is het spel duizend jaar in cafés gespeeld. Nu het geld uit anonieme bronnen komt, moeten de deelnemers geronseld worden, onwillig offeren ze hun vrije dag om de club niet in de steek te laten. Omdat het vernederend is, laat ik uit masochisme kwade stemmen in mijn hoofd spreken, die het nog vernederender moeten maken. Ik ga terug naar de kring van tafeltjes. Mijn stoffelijk omhulsel is aan zijn laatste rondje bezig.

“Wil u misschien nog iets drinken? Nee, geen zorgen, wij letten wel op de tijd van de trein. Misschien mogen we een nieuwe formule met u bespreken, voor het geval dat we u nog eens uitnodigen, zal ik maar zeggen. Het hoogtepunt van de dag is hier altijd het zaklopen. Wat denkt u ervan om zelf ook uw rondjes in een zak te lopen, dat zou weer eens wat anders zijn en ook de jeugd aanspreken. Onze kastelein zegt dat u de trein niet meer haalt, als het aan hem ligt houdt hij u nog wel een uurtje hier, een goede klant, dat heeft hij wel gezien. Maar we brengen u wel even.”

Op het station zie ik de laatste reizigers van de trein die een paar minuten geleden de gemeente heeft aangedaan, het stadje inlopen. De schaakbestuurders zijn al weg. Bij het station staat een gebouw waarop nog een paar vage letters van het woord Hotel te zien zijn. Binnen zitten drie mensen naar de televisie te kijken. “Kan ik hier iets eten”, vraag ik. De man achter de tap loopt weg. Na een tijdje komt een oude man, die blijkbaar de baas is. Ik herhaal mijn vraag. Hij knikt en verdwijnt. De quizmaster op de televisie onderbreekt zijn ondervraging voor een stichtelijk woord. Hij staat bij een tafel waarop modeltreintjes rijden. Hij zegt: “Overal rijden treinen. In Duitsland reden treinen. In Zuid Afrika rijden treinen. In Joegoslavië rijden treinen. Overal gaan treinen. Treinen rijden door de nacht.” Ernstig gezicht, gelukkig maar even. Dan weer muziek en de volgende kandidaat. Het is moeilijk uit te maken of de drie televisiekijkers andersdenkenden zijn, de stichtelijke onderbreking laat hen even onberoerd als de feestelijke ondervraging. In de eetkamer waar ik ben gaan zitten, is nog een andere eter. De baas komt drie keer binnen om hem een nieuw bord soep in te schenken, zonder iets te zeggen. Ik besef dat er na mijn vraag om eten, behalve door de quizmaster op de televisie, al een half uur lang door niemand iets gezegd is. Met het mes dat op tafel ligt, snijd ik in een vinger. Er komt geen bloed, er is geen pijn.

Dus toch! De oude schrijver had gelijk. Het Laatste Oordeel komt in deze gemeente vroegtijdig en onaangekondigd. Ik besef dat ik dood ben en ik vraag me af of ik verder voor eeuwig in deze stille eetkamer zal blijven, of dat die slechts een voorportaal voor iets anders is. Misschien moet ik straks mijn rondjes weer draaien.

Toen klonk er buiten het hotel geweeklaag. De deur ging open, even was het of er vijf matroosjes binnenkwamen, maar al gauw zag ik dat het ambtenaren van de Nederlandse Spoorwegen waren. Huilend zei een van hen: “De directie heeft ons opdracht gegeven om een extra trein in te zetten. Er moet hier een schaakmeester in de stad zijn, maar we kunnen hem nergens vinden.” De smart van deze lieflijke wezens ontroerde mij diep. “Hier is hij!”, riep ik en op hetzelfde moment bevond ik mij door vijf jubelende spoorwegambtenaren omringd. En bij de heldere tonen van een vijfstemmig "Olé, we are the champions!' werd ik door sterke armen meegevoerd naar de trein, naar Amsterdam.