Servië laat zich door sancties niet afschrikken

Na een jaar van vredesbesprekingen, diplomatieke druk, smeekbeden en dreigementen heeft de wereld Joegoslavië - Servië - in de ban gedaan: Resolutie 757 van de Veiligheidsraad voorziet in een economische, politieke en culturele boycot van het land dat algemeen wordt geacht de hoofdschuldige te zijn aan het wrede bloedbad in het voormalige Joegoslavië. De agressor wilde niet luisteren, de agressor moet dan maar voelen.

De Serviërs maken voorlopig niet de indruk wakker te liggen van die boycot. De luchthaven van Belgrado mag gesloten zijn en de Servische automobilisten scharen zich braaf in de rij voor hun maximaal toegestane twaalf liter benzine. Maar de winkels liggen vol, er wordt niet gehamsterd, de willekeurige passant zegt niet onder de indruk te zijn en als er al reacties zijn, dan liggen ze vooral in de sfeer van de verontwaardiging: de boycot is de zoveelste lelijke streek van arglistig samenzwerende vijanden als het "fascistische' Kroatië en het "aan zijn Vierde Rijk bouwende' Duitsland. Anders gezegd: de wereld is er ingetuind, de wereld begrijpt Servië niet.

Er zit een kern van waarheid in: de wereld begrijpt Servië inderdaad niet, en daarom zullen de strafmaatregelen naar alle waarschijnlijkheid het beoogde effect missen: in plaats van de Serviërs ervan te overtuigen de strijd te staken zullen ze de Serviërs eerder ertoe aanzetten de strijd te intensiveren. Servië mag langzamerhand in het oog van de buitenwereld een brute, meedogenloze en gewetenloze agressor zijn, verantwoordelijk voor het grootste bloedbad, de grootste vluchtelingenstroom en de grootste vernietiging van historische en culturele (en niet-historische en niet-culturele) gebouwen in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog, Servië voelt zich allerminst agressor.

Er ligt een wereld van verschil tussen de manier waarop het buitenland met de schuldvraag over het bloedvergieten in het voormalige Joegoslavië omspringt en de visie van de Serviërs. De buitenwereld ziet een nieuwe oorlog in een land dat is gedesintegreerd, een wrede veroveringsoorlog die die buitenwereld op de rand van de 21ste eeuw in hartje Europa niet bereid is te accepteren: vandaar de boosheid, de smeekbeden, de Joegoslavië-conferenties en uiteindelijk de sancties.

De visie achter de sancties is rationeel en redelijk, humaan en twintigste-eeuws. Maar ze heeft niet zoveel te maken met waar het de Serviërs om gaat. Sinds het uitbreken van de strijd, een jaar geleden, hebben die Serviërs het heel druk met de opbouw van het Servië van de toekomst. Onder de - niet-officieel, wel onofficieel door het regime in het vaandel gedragen - leus "Alle Serviërs in één land' beogen ze op de puinhopen van het gedesintegreerde Joegoslavië datgene te bereiken wat hun in eerdere instanties (bij de vorming van het onafhankelijke koninkrijk Servië in de vorige eeuw, in de Balkanoorlogen, na de stichting van het nieuwe Joegoslavië in 1918, na de stichting van het socialistische Joegoslavië in 1945) niet of slechts tijdelijk is gelukt: een Servische natie waarin alle Serviërs zijn verenigd, een Servië dat reikt van de Donau tot de Adriatische Zee, van Vojvodina tot Krajina, Sarajevo en Kosovo. In dat Servië horen geen nationale minderheden, net zo min als er Servische minderheden horen in andere republieken. Minderheden zullen dan ook slechts worden geduld als ze bereid zijn zich te assimileren of hun rechten als minderheden op te geven; doen ze dat niet, dan moeten ze weg, zoals de Albanezen in Kosovo al menigmaal van de Servische extremist Vojislav Seselj te horen hebben gekregen.

Voor de Serviërs kan deze opvatting en haar consequentie - de verovering van Krajina en Slavonië op Kroatië en die van tweederde van Bosnië - niet worden bestempeld tot de imperialistische veroveringsoorlog die de buitenwereld erin ziet: het gaat - vinden de Serviërs - om eenvoudige etnische logica en om de eerbiediging van historische rechten, want niet voor niets vormen de Serviërs getalsmatig het grootste volk in ex-Joegoslavië, niet voor niets hebben ze zich ooit als eerste van het juk van de buitenlandse bezetting bevrijd, niet voor niets hebben ze de leiding gehad bij de bevrijding en emancipatie van de andere volkeren van het ter ziele gegane Joegoslavië en niet voor niets zijn ze een halve eeuw lang in allerlei aspiraties door Tito gefrustreerd.

Anders gezegd: als er een volk is dat nu eindelijk mag vasthouden aan die eenvoudige etnische logica en eindelijk mag opkomen voor zijn eigen historische rechten, dan zijn het de Serviërs wel - vinden de Serviërs. En dat de buitenwereld dat niet snapt ligt in hun visie eenvoudig aan de propaganda van Kroatië en Duitsland, de landen die de wereld de simpele Servische waarheden onthouden.

Tegen die achtergrond is het onwaarschijnlijk dat de VN-sancties tegen Servië iets uithalen. De Serviërs zijn al een jaar druk verwikkeld in een proces van nation building dat van het Europese proces van nation building van de negentiende eeuw alleen verschilt, doordat het honderd jaar later gebeurt en zich bovendien in razendsnel tempo afspeelt. Gezien het karakter van de Serviërs - trots, eigenzinnig, bereid offers te brengen in de voortzetting van de strijd van hun voorvaderen, een stoerheid die doet denken aan Enver Hoxha's fameuze adagium "liever gras eten dan buigen voor het buitenland' en aan de halsstarrige egelstelling waarin Nicolae Ceausescu zich ooit terugtrok toen de wereld hem niet meer lustte - en gezien de belangen die er voor de Serviërs op het spel staan - de stichting van het Servië van de 21ste eeuw - valt niet aan te nemen dat zij zich door een paar in tijd begrensde sancties van een onbegrijpende buitenwereld van hun zwaarwegende taak laten afbrengen. Ergo: de strijd gaat voorlopig door.