Rol van Nederland

Dat Nederland internationaal een rol blijft spelen, zoals B.J. van Eenennaam betoogt in NRC Handelsblad van 16 mei, zal door weinigen worden ontkend.

Evenmin zal iemand ontkennen dat er voor de minister van buitenlandse zaken een belangrijke taak overblijft. Evenwel zijn de voorbeelden die hij voor die Nederlandse rol en die ministeriële taak aanvoert weinig overtuigend. Er zijn voor ons land dringender vraagstukken dan de "operationalisering' van de CVSE. En de Nederlandse invloed kan doeltreffender worden gebruikt dan voor elders in de wereld uitbrekende lokale conflicten.

Ons land is lid van het voorlopig tot 12 deelnemers beperkte gezelschap van de EG, waarin de Nederlandse stem nu eenmaal een zwaarder gewicht heeft dan in organisaties waarin meer dan 50 staten vertegenwoordigd zijn. In de EG gaat het ook om vraagstukken die ons land onmiddellijk aangaan en om beslissingen die rechtstreeks in het dagelijkse leven van de Nederlandse staatsburger ingrijpen. Het is daarom opvallend dat zaken als de overdracht van soevereiniteit en de toenemende macht van de Brusselse organen de Nederlanders zo veel minder schijnen te beroeren dan onze mede Westeuropeanen.

Zo heeft men zich in Denemarken opgewonden over stemmen die blijkbaar in de kring van de Europese Commissie zijn opgegaan voor het vormen van een "directorium' van de grotere EG-staten, een denkbeeld waartegen de Deense minister van buitenlandse zaken dan ook terstond in het geweer is gekomen. De stelling van Van Eenennaam dat de kwaliteit van de bijdrage van een land niet in de eerste plaats wordt bepaald door zijn geografische omvang lijkt met dergelijke denkbeelden moeilijk te rijmen en men kan zich dan ook afvragen of het Deense protest geen Nederlandse steun verdient.

Een andere Nederland rakende ontwikkeling is die van de Europese veiligheid en verdediging. Op grond van de ervaring die in twee wereldoorlogen is opgedaan, hebben de opeenvolgende naoorlogse Nederlandse regeringen de Amerikaanse militaire bijstandsgarantie onontbeerlijk geacht voor de Westeuropese en daarmede Nederlandse veiligheid. Het lidmaatschap van de NAVO is dan ook, sinds de oprichting van die organisatie, de basis geweest van het Nederlandse militaire beleid.

De thans zich openbarende neiging tot verzwakking van het Europees-Amerikaanse bondgenootschap, gepaard gaande aan de oprichting van buiten de Noord Atlantische Verdragsorganisatie optredende militaire eenheden, zou ons dan ook niet onverschilig mogen laten.