Met stip

Een verloren uur tussen werkzaamheden in De Cocksdorp en een afspraak in Den Burg. Je rijdt langs de oostkant van het eiland, waar zich binnen de dijk allerlei langwerpige waterpartijen ophouden. Op een niet al te willekeurige plek zet je de auto in de berm. Je haalt de nodige hulpmiddelen uit de achterbak en gaat zitten, zon en wind in de rug.

Nadat je het geheel een tijdje op je hebt laten inwerken, begin je aan de details. Broedende kluten op een kleiige landstrook. Tussen een paar kiezels probeert een donskuiken zich overeind te werken. Nog geen dag oud en hij wil al wat: terug in het nest, onder de borst van vader, moeder. Hij doet een stap en wankelt, nog een stap en slaat, schaamteloos vergroot door de telescoop, over de kop.

Verder: visdiefjes, tureluurs, bontbekplevieren en scholeksters, broedend, poetsend, slapend of fouragerend. Nog verder: kluten met oudere jongen, die met grote ijver etenswaren ophalen uit de modder. Ze willen gauw groot zijn en dat valt te begrijpen, wat is mooier dan een grote kluut te zijn?

Terug naar het kuiken op de kleistrook. Hij hangt voor dood tegen de flank van zijn ouder. Minuten verstrijken. Dan gaat het kopje omhoog, de zon als een stip in zijn oog. Hij geeuwt en er knalt een gele kwikstaart door het beeld.

Alles in orde. Op deze plaats, op dit moment is alles in orde. Ook dat moet je onder ogen durven zien.