Groei aantal woningen in vrije sector boven raming

DEN HAAG, 2 JUNI. Het aantal ongesubsideerden woningen dat vorig jaar is gebouwd, is hoger uitgevallen dan het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer verwachtte. In totaal is in 1991 voor 37.297 ongesubsidieerde - en daarmee duurdere - nieuwbouwwoningen een bouwvergunning verstrekt.

Het ministerie ging bij zijn raming uit van 24.000 tot 34.000 niet-gesubsidieerde nieuwbouwwoningen. Dit blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het ministerie zal deze gegevens dezer dagen naar de Tweede Kamer sturen.

De toename van ongesubsidieerde woningbouw is een ontwikkeling die zich al een aantal jaren voordoet. Maar dat ook in 1990 en 1991 het werkelijke aantal nieuwe vrije-sectorwoningen hoger zou uitvallen, was niet voorzien. Gelet op de rentestijging die zich eind 1989 heeft voorgedaan en de minder gunstige economische vooruitzichten, noemt het Centraal Planbureau de groei van de ongesubsidieerde woningbouw “opmerkelijk”.

In het verleden was de vrije sector altijd zeer gevoelig voor een stijging van de (hypotheek-)rente. Een mogelijke oorzaak is dat strengere inkomenseisen zijn gaan gelden voor de wel gesubsidieerde premiekoopwoningen, waardoor bijvoorbeeld veel tweeverdieners voor een woning naar de vrije sector moeten uitwijken. Voorlopige cijfers over het eerste kwartaal van 1992 duiden erop dat de groei van de vrije sector onverminderd doorgaat. De stijging ten opzichte van het eerste kwartaal bedraagt 20 procent; er zijn al 1500 bouwvergunningen afgegeven en daarmee is 1990, tot nu toe het topjaar, overtroffen.

Staatssecretaris Heerma (volkshuisvesting) toont zich in een reactie tevreden over deze ontwikkeling. “Wat ik zeer wezenlijk vind is dat er blijkbaar naar de woonconsument wordt geluisterd. Het is de vraag die zich in deze cijfers manifesteert.” Hij stelt vast dat ook de vier grote steden in toenemende mate een deel van hun woningbouwprogramma in de ongesubsidieerde sector realiseren, al lopen ze nog altijd achter op het landelijk gemiddelde. “Een mammoettanker heeft nu eenmaal meer tijd nodig om van koers te veranderen dan een kleiner schip”, zegt Heerma. De steden zagen in het verleden weinig in de bouw van woningen die 200.000 gulden of meer kosten, omdat hun (ingeschreven) woningzoekenden meestal tot de laagste-inkomensgroepen behoren.

In 1986 bedroeg het aandeel van de gesubsidieerde sociale woningen in de nieuwbouw nog 59 procent; vorig jaar was dat teruggelopen tot 46 procent. In 1988 werd in de ongesubsidieerde vrije sector 22 procent van de woningen gebouwd; dat percentage is vorig jaar gestegen naar 38.

In 1983 bestond 53 procent van de nieuwbouw uit huur- en 47 procent uit koopwoningen. Vorig jaar was het aandeel van de huursector gedaald tot 35 procent en dat van de koopwoningen gestegen naar 65. Volgens Heerma wijst dit er op dat ook de "doorstroming' beter verloopt en dus de hogere inkomens in de duurdere woningen terecht komen. Dat leidt tot lagere huursubsidies.

De bedoeling is in de tweede helft van de jaren negentig tot een fifty-fiftyverhouding tussen gesubsidieerde en ongesubsidieerde nieuwbouw te komen, terwijl het aantal te bouwen woningen geleidelijk wordt verminderd.