Dopingbeleid

In NRC Handelsblad van 15 mei stond op de voorpagina een beknopt verslag van een bijeenkomst van de "sportministers' van de Raad van Europa op Rhodos. Uit naam van Nederland pleitte directeur-generaal van WVC J. Richelle voor meer informatie over doping, meer rechtszekerheid, een herziening van de dopinglijsten en harmonisering van de dopingonderzoekingen.

De dopingdefinitie die de Raad van Europa in 1967 aanvaardde, rammelt aan alle kanten. De kern van het vraagstuk is nog steeds dat, zonder behoorlijke wetenschappelijke argumenten, wordt verondersteld dat er allerlei stoffen bestaan die de (maximale) sportprestaties verhogen. De dopingdeskundigen van destijds stonden daarbij in de eerste plaats de amfetaminen voor ogen; welbekende opwekkende middelen, waartoe men bijvoorbeeld ook adrenaline, cocaïne, crack, efedrine, koffie en XTC kan rekenen.

Helaas wijst Richelle er wel op, dat de dopinglijsten middelen vermelden die iedereen zonder doktersvoorschrift kan kopen, terwijl diezelfde middelen verboden zijn voor sportmensen. Maar hij ontwijkt de vraag wat die verboden middelen nou wel en niet doen. En daar draait het toch allemaal om? Van geen van die verboden stoffen is aangetoond dat ze de (maximale) sportprestaties verder kunnen opdrijven. Ik beroep me daarbij op de wetenschappelijke literatuur en niet op indrukken en verhalen van al dan niet met akademische titels getooide dopingdeskundigen zonder wetenschappelijke publikaties op dat gebied.