Boheemse bruinkoolmijnen zijn nauwelijks te privatiseren; Wie wil aandelen kopen van bedrijf dat nog hoogstens tien jaar kan blijven draaien?

MOST, 2 JUNI. “Mijn overgrootmoeder heeft me vaak verteld hoe mooi de stad was, hoe romantisch de omgeving. Nu is er alleen nog deze troosteloze woestenij.” Aan het woord is Jaroslav Hrubez, de dertig jaar oude voorman van de ploeg van 150 arbeiders die ervoor zorgen dat de laatste resten bruinkool worden uitgegraven uit de grond onder de plaats waar eens het laat-gothische vestingstadje Most, in het noorden van Bohemen, lag.

Daar ligt nu een meer dan twintig meter diepe krater van enkele tientallen vierkante kilometers, een onafzienbare vlakte van grauwgrijs gesteente, waarin machines van voorwereldlijke afmetingen bezig zijn met een werk dat even sterk aan Masoch als aan Sisyphus doet denken. Bewust, maar gedwongen door de behoefte aan goedkope energie, wordt hier het karwei afgemaakt dat bekend staat als het grootste milieuschandaal van Tsjechoslowakije: de transformatie van grote delen van het liefelijk heuvelende, intens groene Noordboheemse landschap in stukken barre steenwoestijn die hun weerga alleen kennen op de maan.

Al in het begin van deze eeuw begon de dagbouw van bruinkool, maar toen op kleinere schaal en met minder verwoestende effecten. Pas later, in de jaren zestig, nam de hebzucht van de communistische bevelseconomie zulke waanzinnige vormen aan dat hele dorpen en stadjes als Most moesten verdwijnen omdat zich eronder bruinkoollagen bevonden. Het enige dat van het stadje overbleef is de veertiende-eeuwse kerk, die in 1976 750 meter werd verplaatst, maar nu, dicht bij de rand van de kuil, omgeven door verkommerde fabrieksgebouwen, er alleen maar misplaatst uitziet.

“Je zou het zo niet zeggen, maar eigenlijk zijn we vooral bezig de zaak te herstellen”, spreekt Hrubez zich moed in. Gekleed in een blauwe tuinbroek met een laag uitgesneden wit t-shirt daaronder ziet hij er allerminst neerslachtig uit, eerder opgeruimd en levenslustig. “Het is hier een aflopende zaak. De produktie van bruinkool neemt dagelijks af. De hoeveelheid grond die verplaatst moet worden in vergelijking met de bruinkool die we afgraven wordt steeds groter. Twee jaar geleden leverde de mijn nog 7 miljoen ton bruinkool op, maar vorig jaar was dat al gedaald tot 4 miljoen ton. Om de vraag naar bruinkool op peil te houden subsidieert de gemeente Most het gebruik ervan, maar andere gemeenten, zoals Usti nad Labem, gaan over op aardgas.”

Net zoals alle staatsbedrijven in Tsjecho-Slowakije moet ook de bruinkoolindustrie van Noord-Bohemen worden geprivatiseerd, per 1 januari 1993. Maar het lijkt uitgesloten dat er particulieren bereid gevonden zullen worden om een failliete boedel van een dergelijke omvang over te nemen. Een boedel die bestaat uit ettelijke vierkante kilometers terrein dat eruit ziet zoals de aarde was voordat God haar stoffeerde, woest en ledig; uit honderden verwaarloosde bedrijfsgebouwen, uit vele kilometers lopende band en uit immense machines die 2000 kubieke meter grond per uur kunnen afgraven en via een hydraulisch systeem "sprongen' kunnen maken van anderhalve meter. Wie zou dat willen? In het privatiseringsonderzoek dat Gijselinck heeft ingesteld, de Nederlander die de sluiting van de Kempense mijnen heeft begeleid, wordt aanbevolen om drie NV's te maken die geleidelijk in handen moeten komen van andere aandeelhouders dan de staat. Maar wie zal aandelen kopen in een bedrijf waarvan vaststaat dat het hoogstens nog tien jaar kan blijven draaien?

“Op het ogenblik zijn we bijna rendabel”, zegt Hrubez. “Maar bij een produktie van 3 miljoen ton per jaar moeten we stoppen. We zijn begonnen bedrijfshallen te gebruiken voor de recycling van het afvalmateriaal, bijvoorbeeld van het rubber van kapotte lopende banden, en voor verwerking van ertsen en keramisch materiaal. Maar veel zoden zet dat niet aan de dijk: een meter lopende band brengt 5000 kronen (nog geen 350 gulden) op. Er is veertien kilometer lopende band, dus reken maar uit. Verder zwelgen we in de bedrijfsruimte waarmee niets kan worden gedaan.”

Ondanks de ondergangsstemming - “het is natuurlijk deprimerend om te werken voor een ten dode opgeschreven bedrijf” - heeft de rit met de terreinwagen van Hrubez door de grafkuil van Most bijna iets feestelijks. “Op deze plaats”, wijst hij enthousiast, “stond de brouwerij van Most. Dat was prima bier. De nieuwe brouwerij is slecht.”

We passeren een door struikgewas overwoekerd monstrueus stalen gevaarte. “Kijk, dat is de steenbreekmachine waarmee grote brokken kunnen worden vergruisd. Maar ik weet niet wat ik ermee zou moeten doen. Dat ding is vijf jaar geleden om onduidelijke redenen aangeschaft en staat sindsdien hier. Hij wordt nooit gebruikt omdat hij niet nodig is. Er zijn in het verleden enorme fouten gemaakt, ook door de geologen, door de plannenmakers. Dat heeft nu bijvoorbeeld tot gevolg dat het grondwater in de kerk naar boven komt. Door het afgraven is de vulkanische bodem hier in beweging. Dat moet voortdurend gemeten worden. Wij proberen nu door het afgraven aan de ene kant van het gebied en het storten van het afvalgesteente aan de andere kant te bewerkstelligen dat de bruinkoollagen naar boven worden gedrukt, dichter naar de oppervlakte.”

Maar ook nu, na het ontslag van de vroegere directie, ziet Hrubez nog vele tekenen van slecht management. Doordat de mijn een continubedrijf is moeten de werknemers op de onmogelijkste tijden naar hun werk worden gebracht. Half vijf 's morgens moeten ze klaarstaan. Het (staats)vervoerbedrijf rekent 500 kronen per uur, maar overgaan naar een bedrijf dat het voor 300 doet mag niet van de mijndirectie. “Als ik eigen baas was zou ik alleen een graafmachine en een stortmachine houden en de rest, het werk voor bulldozers, het busvervoer, uitbesteden aan particulieren.” Maar Hrubez verdient 9000 kronen (ongeveer 600 gulden) per maand, net genoeg om met vrouw en twee kinderen van te leven. Hij kan zich, omdat hij de enige kostwinner is, geen auto veroorloven en staat ook elke dag om half vijf op. Hrubez is een keer in Parijs geweest. “Wat me daar het meest met bewondering vervulde is dat de mensen zo laat naar hun werk kunnen gaan.”

“Het is hier een slecht leven. Door die werktijden kom je nooit toe aan cultuur. Mijn vrouw gaat binnenkort bij een particulier werken. Ik hoop dat ze meer gaat verdienen dan ik. Er is hier eigenlijk nog niets ten goede veranderd sinds er een paar jaar geleden bijna dagelijks buitenlandse delegaties kwamen om de ergste milieuramp van Tsjechoslowakije te bekijken. We weten, doordat allerlei controle-apparatuur is geplaatst, nu alleen hoe vervuild bodem en lucht zijn, maar concrete maatregelen daartegen zijn nauwelijks genomen. Er zijn alleen wat plannen om de elektrische centrales te voorzien van chemische filters, ik geloof van Duits fabrikaat. Niemand weet of dit bedrijf de privatisering zal overleven. Waarschijnlijk zal niemand het willen kopen.”

In dat geval zal vrijwel de hele bevolking van het ruim honderdduizend inwoners tellende Most, de bewoners van de woonkazernes een kilometer verderop, werkloos worden. Want de mijn, die lugubere kuil voorbij de kerk, is ongeveer de enige werkgelegenheid in dit gebied.

Foto: Bruinkoolgroeve met op de achtergrond in de nevel van smog en stof de energiecentrales in de buurt van Most. (Foto Jan Banning/Hollands Hoogte)