Artistiek leider NNT over bezuiniging; "Niet alleen toneel in het noorden is de dupe'

Minister d'Ancona van WVC heeft, in tegenstelling tot het advies van de Raad voor de Kunst, het Noord Nederlands Toneel geen 2,8 miljoen subsidie gegeven maar slechts 1 miljoen. Volgens artistiek leider Evert de Jager is dit de doodsteek voor zijn toneelvoorziening. Gisteren pleitte de raad in een vervolgadvies opnieuw voor meer geld voor het NNT.

Net zoals het Theater van het Oosten en het Zuidelijk Toneel is het Noord Nederlands Toneel een werkplaats in de regio om theater te maken. Vorig jaar begon het Noord Nederlands Toneel aan een seizoen dat succesvol verliep; de zaalbezetting was royaal en voor het eerst sinds jaren bleek dat Groningen een stad was waar theater kon bloeien. De Raad voor de Kunst adviseerde aan de minister de gevraagde 2,8 miljoen subsidie te verlenen. Maar de minister legde dit advies naast zich neer en wilde niet verder gaan dan 1 miljoen.

Artistiek leider Evert de Jager ervaart deze beslissing als een blijk van minachting voor de culturele belangstelling van de bevolking in het noorden van het land. “De argumentatie is volstrekt ondoorzichtig, zo er al iets bestaat als een argumentatie. We bestaan pas een jaar. Toen begonnen we met 4,5 miljoen, het bedrag dat het voormalige gezelschap hier, De Voorziening, ontving. Halverwege het seizoen moesten we op advies van de Raad voor de Kunst een beleidsplan opstellen van 2,8 miljoen. Dat hebben we gedaan. Voor dat geld kunnen we op verantwoorde wijze vier produkties per jaar uitbrengen. Met die 1 miljoen wil de minister voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Kunst kost altijd geld. Ideeën zijn verbonden met een bepaald budget; je kunt daarin niet harteloos snoeien.”

Het NNT heeft te kampen met de erfenis van de Voorziening, een gezelschap dat aan het eind van tien jaar nauwelijks nog iets betekende. Het lijkt er, volgens Evert de Jager, verdacht veel op dat de minister het nieuwe NNT heeft besnoeid vanwege die erfenis, onder het mom van: “In Groningen kan toch nooit iets ontstaan.”

De Jager: “De minister verklaart haar eigen beleid ongeldig door de in het vorige kunstenplan zo stringent verwoorde eis van spreiding te veronachtzamen. Theater mag kennelijk uitsluitend in de Randstad worden gemaakt. Als gezelschap in de provincie Groningen moeten we een landelijke kwaliteit koppelen aan een regionale uitstraling. Maar als we te regionaal zijn, dan moeten we weer landelijk worden; zijn we met onze kwaliteit te zeer op landelijk niveau, dan staat plots de regionale binding weer hoog op de lijst van prioriteiten van de minister. Elk inhoudelijk argument ontbreekt. Het is het beleid van het rode potlood. WVC schuift op boekhoudkundige manier met geld. Als in het zuiden een orkest blijft voortbestaan, dan moet het theater in het noorden sneuvelen.”

De Jager:“Wij trekken ook jonge regisseurs aan. Vooral de generatie na Gerardjan Rijnders en Karst Woudstra zou de kans moeten hebben zich te ontplooien. Zoals het er nu voor staat met het NNT kunnen wij aan nieuwe talenten geen kans bieden, waardoor de ontwikkeling van het toneel in het hele land gevaar loopt.”