Aidstest bij verzekering is onredelijk

Nederlandse levensverzekeraars stellen een bloedtest op HIV verplicht bij het afsluiten van levensverzekeringen die een bedrag van ƒ 200.000,- te boven gaan. Op de vraag waarom zij dit doen, komt steevast het standaard antwoord dat "men geen brandend huis verzekert'. Een verzekeraar sluit geen verzekering af op het ogenblik dat een onheil al is geschied: dan moet hij zeker uitkeren, terwijl de klant nog maar één maal premie heeft betaald.

De eigenlijke vraag is echter waarom men HIV in een uitzonderingspositie plaatst. Waarom eist de levensverzekeraar ook niet dat de klant voor het afsluiten van een verzekering een rectoscopie ondergaat (het met een holle buis via de anus kijken of er zich op kanker verdachte afwijkingen bevinden in het laatste gedeelte van de dikke darm)? En waarom niet bij alle vrouwen een mammografie (voor het opsporen van borstkanker). De kans dat een willekeurige verzekerde één van deze kankers ontwikkelt, is immers oneindig veel groter dan de kans op het ontwikkelen van aids.

Hiertegen zal de verzekeraar inbrengen dat hij het risico loopt dat een persoon die weet dat hij HIV-positief is plots hogere verzekeringen afsluit. Is dat dan zo verschillend bij andere aandoeningen? Iemand die een moedervlekje heeft laten wegnemen omdat het wat groter is geworden en jeukte, en die te horen krijgt dat "het goed is dat het op tijd is weggenomen', zou toch ook in de verleiding kunnen komen een extra levensverzekering af te sluiten? Ja, antwoordt de verzekeraar, maar de klant is verplicht dit te melden: als achteraf blijkt dat gegevens zijn achtergehouden, kan de verzekeraar alsnog besluiten niet of niet volledig uit te keren.

De vraag blijft dus bestaan: waarom nemen levensverzekeringsmaatschappijen bij alle andere ziekten (99 procent van alle ziekten waaraan hun klanten zullen overlijden) wel genoegen met het woord van de verzekerde of met een relatief oppervlakkig medisch onderzoek? Daarbij nemen zij toch een risico? Alleen bij HIV wil men "harde feiten': een bloedtest.

De houding van de verzekeraars is reeds aanleiding geweest tot veel problemen. In de bevolkingsgroepen waarin aids het afgelopen decennium zo'n grote tol heeft geëist, is gerechtvaardigde argwaan ontstaan ten opzichte van deze bloedtest. Dat had tot gevolg dat één van de belangrijkste wapens om de verspreiding van het virus te volgen, het seroprevalentie onderzoek, de afgelopen jaren in Nederland niet mogelijk is geweest. Zelfs anoniem onderzoek in het belang van de volksgezondheid komt niet van de grond. Uiteraard is het onderzoek waartoe men wordt verplicht als men een hypotheek en levensverzekering boven de ƒ 200.000,- afsluit, niet anoniem. Levensverzekeraars schijnen over een betere Haagse lobby te beschikken dan volksgezondheid-onderzoekers.

Waarschijnlijk was de houding van de levensverzekeraars oorspronkelijk een paniekreactie. De tijd voor redelijkheid is nu echter aangebroken. Er is geen enkele reden HIV nog verder in een uitzonderingspositie te plaatsen. Er zijn tientallen andere even zeldzame en ook ernstige ziekten waar bij het afsluiten van een levensverzekering niet eens naar wordt gevraagd; ze vallen onder de algemene meldingsplicht van de klant. Tenslotte is er een maatschappelijke consensus ontstaan over het niet onderzoeken op erfelijke aanleg voor ziekte bij het aangaan van levensverzekeringen. Wij willen deze lasten gemeenschappelijk blijven dragen, al kan het vaststellen van een erfelijke neiging tot hartziekte op 45-jarige leeftijd ook een "brandend huis' zijn. Waarom laten wij deze solidariteit ook niet gelden voor infectieziekten, zeker voor bijzonder getroffen groepen.

In het nabije buitenland kan de klant die een hypotheek met levensverzekering aangaat, kiezen uit verschillende verzekeringen, met en zonder HIV-test. Klaarblijkelijk bestaat daar een minder sterke kartelvorming van verzekeraars. Wellicht kost dat een penning meer, maar deze moeten wij bereid zijn te betalen terwille van de solidariteit en de redelijkheid.