Raad hekelt korting podiumkunsten in vervolgadvies; "Kunstbudget 12 miljoen hoger'

DEN HAAG, 1 JUNI. De Raad voor de Kunst heeft vandaag minister d'Ancona (WVC) in een vervolgadvies voorgesteld het kunstbudget in de komende vier jaar met minimaal twaalf miljoen extra per jaar te verhogen. Volgens de Raad zal het Kunstenplan van minister d'Ancona in de huidige vorm “ernstige gevolgen hebben voor kwaliteit, ontwikkeling en diversiteit van het kunstleven”.

Als de Raad voor de Kunst in februari had geweten dat de minister in april zou eisen, dat de podiumkunstinstellingen minstens twintig procent van hun inkomsten zelf moeten verdienen, dan had de Raad een wezenlijk ander advies over het nieuwe Kunstenplan aan de minister gegeven. “Voor de podiumkunsten staat het Kunstenplan op belangrijke punten geheel los van de door de minister zelf verwoorde uitgangspunten,” aldus het vervolgadvies. De Raad zegt vast te houden aan het eerder uitgebrachte advies in zijn onderlinge verband en samenhang. De twintig procents-maatregel is volgens de Raad zo verstrekkend, dat die volgens de wet eerst aan de Raad had moeten worden voorgelegd.

In haar adviesaanvrage aan de Raad voor de Kunst vorig jaar had de minister nog voorgesteld dat de kunstinstellingen minstens vijftien procent zelf moesten verdienen. De Raad noemde die keuze voor vijftien procent "arbitrair', maar onderschreef het streven naar inkomstenvergroting en nam het idee over. De gevolgen van de plotselinge verhoging naar twintig procent zouden in de komende jaren eerst nader onderzocht moeten worden; daarbij moet ook worden bezien of de maatregel niet gedifferentieerd kan worden. Om de nu ontstane impasse te doorbreken zou daarom volgens de Raad voor de Kunst minstens twaalf miljoen extra ter beschikking moeten worden gesteld “om de ergste nood te kunnen lenigen”.

De Raad constateert dat de ministeriële maatregel om de honderd gezelschappen en podiumkunstinstellingen te dwingen hun eigen inkomsten te verhogen dertien miljoen gulden moet opbrengen. Zij zouden elk hun inkomsten moeten verhogen met dertig tot veertig procent. Volgens de Raad zal de ministeriële maatregel om de subsidies te verlagen nauwelijks extra inkomsten opleveren, uitzonderingen daargelaten. Een kwalijk gevolg van de maatregel is ook dat instellingen met een hoge publieksopkomst extra gekort worden.

De Raad voor de Kunst vindt dat de maatregel onvoldoende is gefundeerd in een rapport van het ministerie van financiën. Daaruit blijkt dat de eigen inkomsten van de Nederlandse kunstinstellingen weinig afwijken van die in omringende landen. Bovendien zijn de toegangsprijzen de afgelopen jaren al flink verhoogd, constateert de Raad. Behalve dat deze “ingrijpende kaasschaafbezuiniging” moeilijk uitvoerbaar is, heeft die ook nadelige gevolgen voor spreiding, educatie en begeleiding. Onmiddellijke en ongedifferentieerde invoering zou zelfs averechtse effecten hebben op de toegankelijkheid van kunstmanifestaties en de kunstparticipatie.

Negentig van de honderd door de Raad geraadpleegde kunstinstellingen verwachten niet dat zij de korting op hun subsidies kunnen compenseren door een daadwerkelijke inkomstenverhoging. De meeste denken die zelfs ook op langere termijn niet te kunnen bereiken, als gevolg van de verplichting kortingskaarten te blijven aanbieden en de voor een deel wegvallende vraag als gevolg van fiks hogere toegangsprijzen. Zij wijzen de suggestie van de minister dat zij zich niet om publiek of inkomsten bekommeren, met kracht van de hand.

De gedachte van de minister om extra inkomsten te verwerven via medewerking aan tv-produkties en uitbreiding van sponsoring wordt nauwelijks realistisch geacht. Ook vrezen vele instellingen op het gebied van toneel, muziek en dans niet meer publiek te kunnen werven voor het huidige artistieke produkt. De helft van de orkesten vreest het aantal musici te moeten verminderen en minder te reizen. Toneel- en dansgezelschappen vrezen ook een sterke vermindering van het personeel en een daling van het aantal produkties.

Een ander punt van kritiek van de Raad voor de Kunst is, dat de grote nadruk die de minister legt op internationale verbreiding van Nederlandse kunst niet strookt met de financiële gevolgen van het Kunstenplan. De grote en internationaal befaamde instellingen zullen aanzienlijk worden gekort en het bedrag voor kunstinstellingen die op dit gebied een specifieke taak hebben is in de ministeriële plannen een miljoen lager dan de Raad adviseerde.

Verder neemt de Raad stelling tegen andere belangrijke afwijkingen van het advies aan de minister. Gespecialiseerde muziekensembles krijgen dan een derde extra van de geadviseerde verhogingen. Verder is het advies genegeerd om drie miljoen extra te reserveren voor ad hoc-subsidies voor de podiumkunsten. De minister wil het extra geld bijna uitsluitend besteden aan film- en bouwkunst. De Raad neemt het verder op voor het Architectuurinstituut in Rotterdam en het Berlage Instituut in Amsterdam, waarvan de ontwikkeling niet in de kiem moet worden gesmoord.

De Raad voor de Kunst klaagt dat minister d'Ancona zonder inhoudelijke motivering grote afstand heeft genomen van het advies om het orkestenbestel buiten de Randstad te wijzigen. Volgens de aanvankelijke mening van de minister moest daar negen tot zestien miljoen worden bezuinigd. De Raad stelde minder rigoureuze ingrepen voor en pleitte voor herbesteding van het meeste geld voor muziek en muziektheater. In de huidige plannen van de minister wordt er nog nauwelijks iets gewijzigd. Regionaal-politieke overwegingen hebben geprevaleerd boven artistiek-inhoudelijke, concludeert de Raad.

De Raad voor de Kunst is van plan om nu snel te komen met een nader advies over de besteding van bijna een miljoen gulden voor de moderne dans. Daarvoor zal worden gekeken naar beleidsplannen die aanvankelijk terzijde waren gelegd toen de raad een inmiddels door de betrokkenen afgekeurd voorstel had voor een samenwerkingsplatform. Verder zegt de Raad dat de voorgenomen subsidieverminderingen bij het Noord Nederlands Toneel en het Theater voor het Oosten veel verder gaan dan was geadviseerd en niet in overeenstemming zijn met de door de minister beleden aandacht voor het kunstaanbod in de regio.