Onbegrepen theoloog van het lichaam; Profiel van ADRIAAN MORRIËN

Met een dromerige lichtzinnigheid is hij door de decennia gegaan en vrijdag wordt hij tachtig. Ondanks zijn leeftijd getuigt de schrijver Adriaan Morriën nog altijd van een enorme vitaliteit. Eigenlijk is zijn tachtigste verjaardag een non-event. Sleutelthema in het werk van Morriën is het observeren van vrouwen, liefst als zij zich onbekeken wanen. Velen zien in zijn sensibiliteit een verwrongen hanerigheid. Maar wie zijn gedichten kent weet beter: Morriën wil het alledaagse van een aureool voorzien.

Toen Adriaan Morriën jong was en op de dag des Heren naast zijn ouders in de kerkbank plaatsnam, kon het gebeuren dat hij in de blanke hals van een meisje in de bank vóór hem een moedervlekje ontdekte, waar hij zijn ogen niet van af kon houden. Ook het schouwspel van zijn moeder, die zich in de keuken stond te wassen om daarna voor de grote spiegel in de huiskamer haar haren te borstelen en in vlechten te draaien, was voor de jonge Morriën een feestelijke gebeurtenis. “De luisterrijke bekroning van het vliedende ogenblik”, noemde hij die gelukzalige momenten in een van zijn autobiografische verhalen. De bekoring die uitgaat van het observeren van een vrouw, liefst als zij zich niet bekeken waant, werd al snel een sleutelthema in het werk van Morriën.

Vrijdag is het tachtig jaar geleden dat Adriaan Morriën in IJmuiden werd geboren. “Negentientwaalf, dat was nog vóór de Eerste Wereldoorlog”, pleegt hij met een mengeling van trots en verwondering bij zijn geboortedatum te vermelden. Hij was de zoon van een zeilmaker, zijn moeder was de dochter van een visser. Hoewel hij opgroeide in een streng calvinistisch, kleinbehuisd gezin als jongste van drie kinderen, bewaart Morriën aan het IJmuiden van zijn jeugd vooral zoete herinneringen. “De aanblik van de zee bande elke benepenheid uit”, schreef hij drie jaar geleden in een jeugdherinnering; “Hoezeer ik mij ook, in al zijn betrekkelijkheid, in mijn calvinistische milieu misplaatst heb gevoeld, in mijn geboortedorp voelde ik mij niet werkelijk opgesloten.” In een interview zei hij in 1986 over zijn ouderlijk huis: “Ik heb wel gebeden, maar dan schaamde ik me ook. En waar bad ik dan om? Toch hoofdzakelijk om voetbalschoenen. Die kreeg ik ook wel, hoor. Want op mijn ouders kan ik menselijkerwijs niets aan te merken hebben. De huiselijkheid en innigheid waren bij ons perfect.”

Door de beeldende bijbellezing van zijn vader, 's middags uit het Oude Testament en 's avonds uit het Nieuwe, werd weliswaar niet de religieuze, maar wel de literaire belangstelling van Morriën gewekt. Zijn hevige behoefte aan lezen werd nog eens versterkt door de pleuritis die hem op zijn vijftiende aan het bed kluisterde. Op zijn zeventiende las hij werk van de Tachtigers. Een wereld ging voor hem open; die van de poëzie.

Op zijn zestiende mocht hij van zijn vader naar de HBS omdat het goed ging met de zaak; hij zag aan de Julianakade een meisje het raam lappen en hem nakijken. De tweejarige, onbeantwoorde verliefdheid die daarop volgde wees hem eveneens de weg naar de poëzie. In 1934 ontdekte hij in de Haarlemse stadsbibliotheek het werk van de toenmalige hedendaagse literatuur; Du Perron, Ter Braak en Slauerhoff. De tbc die hem tussen zijn twintigste en vijfentwintigste dwong streng te kuren, voltooide zijn opleiding voor de literatuur. In de late jaren dertig publiceerde hij zijn eerste gedichten in Forum en Groot Nederland. In 1939 volgde zijn eerste bundel: Hartslag.

Dank zij zijn vriend Gerard van Gelder, met wie Morriën in het vooroorlogse IJmuiden de liefde voor de literatuur deelde, kwam hij in contact met de destijds gevierde auteur Arthur van Schendel. Toen in september 1939 Van Schendel in een boot met bestemming Genua de sluizen van IJmuiden doorvoer, liet hij door zijn dochter aan Morriën - die op de kade stond om de bewonderde literator uit te wuiven - een envelop overhandigen. Daarin zaten 2 rijksdaalders, alsmede een briefje: “Om kermis te vieren.”

In mei 1940 besloot Morriën niet langer op kosten van zijn ouders te leven. Hij schreef zich in voor de lerarenopleiding Frans en ging leven van vertaalwerk, literaire kritieken en les geven. In 1943 vestigde hij zich met zijn vrouw Guusje Oldenburg in Amsterdam. Met haar deelt hij nog steeds een huis aan de hoofdstedelijke Plantage Muidergracht.

Aan een leven met talloos veel contacten, die hoogtepunten uit het naoorlogse literaire leven markeren, gingen enkele verwarrende oorlogsjaren vooraf. Morriën bezocht veelvuldig boekhandel Balkema, waar de belangrijkste clandestiene literaire uitgaven verkrijgbaar waren. Hij kreeg van uitgeverij Contact en van Meulenhoff zijn eerste vertaalopdrachten. Eind 1944 is hij betrokken bij de heroprichting van het literaire tijdschrift Criterium, dat van 1940 tot de oprichting van de Kulturkammer in 1942 had bestaan.

Morriën kwam in aanraking met de uitgever Geert van Oorschot, die hem op een avond een pak exemplaren van het illegale tijdschrift De Baanbreker meegaf, om die bij Joop den Uyl af te leveren. Dat leidde tot een vriendschap en wederzijdse affiniteit met de latere socialistische voorman en zijn vrouw. Samen met zijn vriend Fred Batten en de boekhandelaar Balkema vervaardigden ze een aantal clandestiene uitgaven.

In het laatste oorlogsjaar ontmoette Morriën ook Willem Frederik Hermans, die hem het manuscript van Conserven te lezen gaf. Morriën was van het werk van de jongere schijver zeer onder de indruk en besloot er twee fragmenten van in Criterium te publiceren. Tussen de twee auteurs ontstond een vriendschap en ze vormden een vriendenkring met onder meer de arts Cola Debrot (Dr. Klondike in Hermans' werk) en Charles B. Timmer, vertaler uit het Russisch.

Morriën keek in die jaren enigszins op tegen zijn vriend, die al sigaretten rookte, een stevige borrel dronk en pilletjes tegen de hoofdpijn slikte. Hij was vooral op dat laatste een beetje afgunstig en vermoedde dat Hermans er een intensiever hersengebruik op na hield dan hij.

Tot zijn twee dochters zei Morriën wel eens bij wijze van aftelspreuk: “Op mijn tiende haatte ik mijn vader, op mijn twintigste was ik op sterven na dood, op mijn dertigste brak de oorlog uit en op mijn veertigste nam ik mama en jullie.” In het rijtje ontbreekt, dat hij op zijn vijfenveertigse wéér op sterven na dood was. Het plotselinge einde aan de vriendschap met Hermans ging gepaard met een heftige wederzijdse polemiek. Hermans bespotte Morriën in Mandarijnen op Zwavelzuur, Morriën sloeg terug met de De gruwelkamer van W.F. Hermans. Het spel werd menens toen Morriën een ernstige maagbloeding kreeg, die hem bijna het leven kostte. Die crisis tekent zijn emotionele kwetsbaarheid. “Kennelijk kan ik niet echt kwaadaardig zijn”, zei hij in een interview in 1988. “Ik was verontwaardigd omdat Hermans pure leugens vertelde, maar ook bang - dat had hij me al eerder geflikt - dat hij intimiteiten overbriefde.”

Onmiddellijk na de oorlog nam Morriën contact op met de mensen achter uitgeverij de Bezige Bij, die zijn clandestiene bundel Luchtalarm hadden uitgeven. Hij kwam in contact met BB-directeur Geert Lubberhuizen, die in de oorlog het manuscript van de bundel onder de naam "Lange Jan' op de hoge sluis achter het Postkantoor in Amsterdam in ontvangst had genomen. Morriën werd "lezer' voor de uitgeverij, jurylid voor de Reina Prinsen Geerligs-prijs en redacteur van Literair Paspoort. Hij kreeg als een van de eersten de manuscripten van de romandebuten van Harry Mulisch (Archibald Strohalm) en van Simon/Gerard van het Reve (De Avonden) onder ogen. Morriën heeft Van het Reve nog op een feest van de Reina Prinsen Geerligs-prijs aan zijn latere echtgenote, de dichteres Hanny Michaelis, voorgesteld.

Voor het jeugdwerk van de "grote drie' koestert Morriën nog steeds grote bewondering, al is het maar wegens de kracht van de explosie die ze in de naoorlogse letterkunde, maar ook in de destijds verburgerlijkte samenleving, teweeg hebben gebracht.

De houding van met name Hermans en Reve in later jaren, waardeert hij echter geenszins. Volgens de overtuiging van Morriën moet een schrijver niet hovaardig zijn en niet de verafgoding van zijn publiek in de hand werken. Een schrijver moet zich op gelijk niveau met zijn lezer presenteren, luidt het bescheiden adagium van Morriën. Hij wil niets weten van de schoolmeesters en dominees, die zich volgens hem achter auteurs als Reve en Hermans verschuilen, want die hebben zijn jeugd al voldoende vergald.

Het werk van Morriën is vrijwel zonder uitzondering rechtstreeks en autobiografisch. Hij is wars van de geconstrueerde roman, althans, voor zover het zijn eigen werk aangaat. Hij werkt het liefst in korte of langere schetsen, aantekeningen, herinneringen en observaties. In Lasterpraat uit 1975 uit hij zich voor het eerst in die vertelvorm. In het in 1988 verschenen Plantage Muidergracht wordt die vorm uitgebreid en vervolmaakt.

In zijn miniaturen legt Morriën moed aan de dag om zijn schaamte te overwinnen, een vorm van openhartigheid die doet denken aan de notities van (de door Morriën bewonderde en vertaalde) Léautaud. Hij beschrijft intieme gedachten, gevoelens en ervaringen met een zo zorgvuldige woordkeus, dat zijn vertedering, ervaring of inzicht voor de lezer toegankelijk en deelbaar wordt.

Wie, zoals de auteur dezes, de eer heeft Adriaan Morriën beter te leren kennen, weet ook dat hij in de persoonlijke omgang een buitengewoon grote openhartigheid en oprechtheid aan de dag legt. Hij vertelt je zonder schroom over zijn (voorbije) depressies, verlangens of ontmoetingen met vrouwen, die hij nog altijd het hof maakt. Hij vertelt vol vuur een anekdote over een bordeelbezoek of over zijn ervaringen in lijn zeven, als "de jonge vrouwen uit de Bijlmermeer binnenstromen'.

Toch wordt “de theoloog van de lichamelijkheid” vaak verkeerd begrepen. Velen zien in zijn sensibiliteit een verwrongen soort hanerigheid, en verwarren de poëzie van zijn poëtische observaties en dagdromen met een scabreus of platvloers verlangen. Wie kennis neemt van de gedichten van Morriën weet wel beter: Morriën wil de alledaagsheid, het onopgemerkte van een aureool voorzien.

Adriaan Morriën getuigt van een enorme vitaliteit en spankracht; dat een man van tachtig zich zo uitstekend verstaat met vertegenwoordigers van de verschillende generaties die na hem komen is prijzenswaardig. De tachtigste verjaardig van de auteur is een non-event voor iemand die zich juist altijd zo tijdloos en trendloos met het dagelijks bestaan wist te verhouden.

Ruim een jaar geleden schreef Morriën een stukje waarin hij iets over die "leeftijdsloosheid' uit de doeken deed. Hij herinnerde zich hoe Geert van Oorschot en Jaques Gans ooit opzagen tegen overschrijden van de 40-jaarsbarrière: Onze jeugd is onherroepelijk voorbij. Hij zal vrijdag de dubbele leeftijdsgrens overschrijden. Hij schreef twee jaar geleden: “Met een dromerige lichtzinnigheid ben ik door de decennia gegaan, heb ik alle leeftijdsgrenzen overschreden om zo oud te worden als ik nu ben.”

Dat aan zijn leeftijd het cijfer 80 vast zit, berust op zuiver toeval. Adriaan Morriën is zo oud als hij nu is.