Mensen raken elkaar aan

Hoe alles met alles te maken heeft: het begon met een gebaar dat ik op de televisie zag. Lubbers in Genève, al weer enige tijd geleden, hoe hij hebberig zijn arm om de schouders van Nelson Mandela legde en zo met hem opliep, hem bij het naderen van de deur zelfs een klein zetje gaf: “Voelt u wel hoe ik u voor laat gaan?” Daar zul je last mee krijgen, dacht ik en ja hoor. Lubbers wilde graag bij Mandela op visite maar is daar nog steeds niet welkom.

Tot mijn verbazing zag ik onlangs hetzelfde oude-jongens-krentebroodgebaar maken door nota bene Freek de Jonge die alleen al uit hoofde van zijn beroep zijn lichaamstaal toch zou moeten kennen. Maar nee hoor: voor het oog van de camera en met hetzelfde lachje als dat van Lubbers legde hij zijn arm om de schouders van ds. Boesak en voerde hem zo met zich mee.

Aanraken maar apart blijven: daarover gaat het ook in de serie I'll fly away, nu al achttien weken te zien op de BRT. Onvolprezen maar nergens aangeprezen: dan is er eens goed acteren te zien van een stel buitengewoon mooie mensen en gaat het genuanceerd en subtiel over een zo belangwekkend onderwerp als segregatie in de Verenigde Staten in de jaren vijftig en dan mag niemand daarop attent worden gemaakt? Ik wil er geen aflevering van missen en dacht vorige week dat ik hem opgenomen had. Maar in plaats van de hartveroverende glimlach van de kleine John Morgan, de brandende blik van zijn zusje, de natte lippen en het bezwete bovenlijf van grote broer Nathan, de twinkeling in de ogen en de bitterzoete glimlach van hun vader wanneer die zijn geheime geliefde begroet, en vooral van de melodieuze voice-over van de zwarte Lily als ze uit haar dagboek voorleest en haar rug recht voordat ze iemand aankijkt en wat een blik wordt dat dan . . . in plaats van al dat prachtigs kreeg ik een uur CNN. Woedend op mezelf (stuntelen met de video schijnt een ouderdomsverschijnsel te zijn) spoelde ik al scannend terug. En stopte, want er gebeurde iets dat ik nog eens wilde zien maar nu goed. Aiii... kijk eens: daar lag een dood babytje in het gras. In Bolivia. Verstikt, vlak na de geboorte, waarschijnlijk door een moeder die er niet nog een kind bij wilde hebben. In rubber verpakte mannehanden raapten het lichaampje op en frommelden het in een plastic zakje. In Bolivia krijgen alleen de minst ontwikkelde vrouwen veel te veel kinderen; het land lijdt onder een bevolkingstekort dus aan family planning wordt niets gedaan. Geen prioriteit: “Het gaat hier om de allerarmsten”, zei iemand uit regeringskringen. Wegwerpmensen dus. In het mortuarium lagen meer van die kindjes in plastic.

Wegwerpmensen: dat bracht me op een zinnetje dat ik onlangs in deze krant las en dat zo dom was dat het me, net als de armen van Lubbers en De Jonge, niet los wil laten. Het kwam van Heleen Dupuis, in een lezing die nu ook in Opzij staat. Mevrouw Dupuis is ethica; ik heb altijd begrepen dat zo iemand een soort geweten wil zijn van de denkende natie en, laverend tussen het "ja maar...' en "nee want...' zich namens ons hardop blijft afvragen wat moet en wat kan en wat moet kunnen. Ook zij had het over family planning maar dan over een typisch probleem van onze welvaartsstaat: het koste wat kost willen vervullen van een kinderwens. De kans dat er aan zo'n aan de medische technologie afgedwongen kindje iets mankeert is groot en moet dat kindje dan - alweer: koste wat kost - in leven worden gehouden? Daar valt wel het een en ander aan af te wegen, maar dat het volgende zinnetje gezegd, geschreven en wel twee keer afgedrukt kan worden is mij een raadsel. “Als je niet van een kind houdt, kun je het ook droppen in een inrichting.” Terwijl iedereen toch weet dat houden van een kind en het uit huis laten gaan onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn? Als het een gehandicapt kind betreft betekent zo een uit-huis-plaatsing het overgaan van de ene betrouwbare, liefdevolle omgeving naar de andere, te vergelijken met een ouderwets uithuwelijken maar gezien de omstandigheden veel minder feestelijk. Want beide partijen lijden er onder: het kind heeft heimwee en de ouders beseffen met schaamte dat ook een gevoel van opluchting heel pijnlijk kan zijn. Je "dropt' zo'n kind dan ook niet; je laat het gaan. Zodra je de kans krijgt want een inrichting is geen prullenbak maar een hechte gemeenschap waar steeds moet worden opgeschoven om plaats te bieden aan een nieuweling en zoveel plaats is er niet zodat er wachtlijsten zijn en dagverblijven, sociale werkplaatsen, logeerhuizen en wat al niet om het wachten draaglijk te maken.

En dit brengt me weer bij die serie waarvan vanavond nog de twee laatste afleveringen te zien zijn, tenzij er bij ons een omroep zo goed is om nu eens niet gegarandeerd dikke pret uit het buitenland op te kopen maar duizend minuten pure kwaliteit.

De moeder van de kleine John Morgan zit in een inrichting en Lily, die haar in het huishouden vervangen moet, heeft hem met moeite voor zich weten te winnen. En de lichaamstaal tussen die twee, dat blanke jochie en die prachtige zwarte vrouw: gespeeld of echt doet er niet toe. Dat is in orde, denk je, zo hoort het ook. Apartheid of niet: wie elkaar zo aanraakt zal elkaar ook los kunnen laten. Niet "droppen', maar laten gaan. Zo vrij als een vogel.