Kunst

“Ja?”

“Meneer Beeren, u spreekt met De Winter. Dat interview met u, hè, in de NRC van afgelopen vrijdag, daar wil ik nog wat over vragen. Kan 't effe?”

“Wat was uw naam?”

“De Winter, meneer Beeren. U zei in dat stuk: Als ik naar de dertig bij dertig loden tegels kijk die Carl Andre heeft neergelegd, geniet ik van de spanning tussen wat hij abstract creëert als voorstelling en de materiële kant ervan. Die platen zijn niet te tillen. Het is niet iets wat je zomaar even een trap geeft. Het beeld gaat dus een verbinding aan met de zwaartekracht. Ja allejezus, dat is me echt uit het hart gegrepen.”

“Zo. Dank u. Wat had u nou te vragen?”

“M'n vraag was, meneer Beeren: hebt u zelf ooit gewerkt met tegels?”

“Moet een mens met tegels gewerkt hebben om er iets zinnigs over te kunnen zeggen?”

“Nou, als 't effe kan wel, meneer Beeren. Ik dacht, toen ik dat las: die weet waar die het over heeft.”

“Dat klopt, meneer De Winter, want het gaat over kunst. Carl Andre legt dertig bij dertig loden tegels neer in het museum en hij maakt ons bewust van de zwaartekracht en daarmee van onze sterfelijkheid.”

“Te gek, meneer Beeren.”

“Mag ik vragen wat u van uw vak doet, meneer De Winter?”

“Ik ben tegelzetter, meneer Beeren.”

“O... Juist.”

“Carl Andre, ik ken zo'n belangrijk kunstenaar niet persoonlijk natuurlijk, maar dertig bij dertig loden tegels neerleggen, da's niet niks, meneer Beeren. De zwaartekracht, zoals u zegt, daardoor til je je met gewone tegels al een breuk, laat staan met loden.”

“Komt u wel es in het Stedelijk?”

“Nou, als u een klus voor me hebt dan hou ik me aanbevolen.”

“Kijk, het verschil tussen u en Carl Andre is: de tegels van Andre liggen in het museum, en die van u liggen op straat.”

“Ik heb bij me zelf thuis ook tegels leggen, meneer Beeren. De achtertuin van m'n buren heb ik betegeld. En bij m'n schoonmoeder in de kamer. Plavuizen.”

“Dat is geen kunst.”

“Nou, ik zou zeggen: probeer 't zelf eens.”

“Ik bedoel: er zit geen gedachte achter, meneer De Winter.”

“Geen gedachte? Als ik de plavuizen bij m'n schoonmoeder neerleg dan denk ik ook, net zoals u dat doet: niet te tillen die platen, die moet je niet zomaar effe een trap geven. En ook denk ik dingen als: stapt m'n schoonmoeder straks op die gladde tegels en dan zul je zien dat ze net iets vochtigs heeft geknoeid en dan breekt ze d'r nek, of, zoals u dat zou zeggen, dan gaat ze een verbinding aan met de zwaartekracht. Is toch een hoop gedachte, meneer Beeren?”

“Het is geen kunstzinnige gedachte, meneer De Winter.”

“Nee? Ik denk ook wel es: die tegels symboliseren als het ware grafstenen, elk plavuisje is een grafsteentje, en je ken de dood van de mens an sich gewoon weerspiegeld zien in een plasje water. Weet u wat ik gedaan heb toen ik ze aan het leggen was? Toen heb ik gewoon es wat water gesprenkeld en ben ik er zo naar gaan zitten kijken, alsof 't in een museum was. En wat ik daarbij voelde! Zoals u in de krant zo mooi zei: het bracht echt een emotionele stroom teweeg. Dat zijn toch kunstzinnige gedachten, meneer Beeren?”

“Wat zijn dat voor plavuizen bij uw schoonmoeder, meneer De Winter?”

“Gewone bruine. Van de Gamma. Netjes gevoegd, en waterpas als een dooie Chinees, al zeg ik het zelf.”

“Liggen ze in een bepaald patroon of zo?”

“Nou u het zeg: ik heb ze schuin gelegd! Dat heb in die rechte kamer iets van: 't wil wel maar 't ken niet. U zou zeggen: De materie vecht met de ruimte, is 't niet?”

“Zou u het een naam kunnen geven?”

“Wat denkt u van: De diagonale schoonmoeder en de zwaartekracht?”

“Misschien moeten we es een afspraak maken, meneer De Winter.”