Indianen, Aboriginals, Sami en Ayiu roepen op "Moeder Aarde' te redden; Inheemse volkeren uit vier windstreken bijeen; "De zee is het hart van de aarde, het groen is de long van de aarde'

RIO DE JANEIRO, 1 JUNI. De gekken van de Colônia Juliano Moreira, gelegen in een uitloper van de bergketen die Rio de Janeiro omringt, hebben een gekke week achter de rug. Achter de hekken en het wachthuis met de zinspreuk dat "werken alles overwint', leiden zij gewoonlijk een teruggetrokken bestaan, alleen met hun kippen of een magere hond. Maar de afgelopen week keken zij verwonderd naar het drukke verkeer langs hun eenvoudige woningen, aan de enige toegangsweg naar het indianendorp Kari-Oca.

Deze nederzetting van grote en kleinere plantaardige huizen is de afgelopen twee maanden gebouwd door Amazone-indianen van de Alto-Xingu- en de Tucanu-stam. In Kari-Oca - met een knipoog genoemd naar de carioca, de inheemse bewoner van Rio - werd de afgelopen week de eerste "Wereldconferentie voor inheemse volkeren' gehouden. Daaraan werd deelgenomen door ruim 200 Braziliaanse indianen van verschillende pluimage en zo'n vijftig leiders van buitenlandse inheemse gemeenschappen, onder wie Sami uit Lapland, Ayiu uit Japan, Aboriginals uit Australië, Cree-indianen uit Canada en Akha uit Thailand.

Zaterdag ondertekenden zij een slotverklaring die vraagt om eerbiediging van de rechten van alle inheemse volkeren ter wereld. Deze zal worden aangeboden aan de VN-conferentie voor milieu en ontwikkeling (UNCED), die woensdag in Rio begint.

De nederzettting Kari-Oca wordt niet afgebroken, maar is vanaf vandaag een openluchtmuseum. Amazone-indianen kunnen er logeren wanneer ze Rio bezoeken. "Hoor de stem van de aarde', heeft een dichter van de Guajajara-indianen uit de Amazone geschreven. Zijn gedicht hangt te drogen aan een hut. "Zij schreeuwt: homo sapiens is een roofdier/ waar de blanke mens niet is, daar rust zij/ De zee is het hart van de aarde/ het groen is de long van de aarde/ De vogels worden verzorgd door de planten/ In de regen nemen wij een bad. De aarde is onze moeder.'

Kari-Oca, en tot op grote hoogte ook UNCED, is doortrokken van de Gaia-gedachte: de aarde voorgesteld als een zelfregulerend organisme dat door de geïndustrialiseerde wereld naar de verdoemenis wordt geholpen. Het idee is dat inheemse volkeren in een uitzonderlijke (en bevoorrechte) positie verkeren omdat zij één zijn met de natuur. De zaterdag met rituele dans en een trommel- en boshoornconcert ondertekende "Verklaring van Kari-Oca' zegt dan ook te willen streven naar “de redding van Moeder Aarde”, waarop “de Schepper ons, inheemse volkeren van de vier windstreken, heeft neergezet”.

Op de rij palen die Kari-Oca afgrenst, hangt de was te drogen: T-shirts en korte broeken. De eigenaars van de kleding, Carajás-indianen uit het regenwoud, dragen vandaag hun feestkostuum: een verentooi, banden met franje om hun polsen en benen en zwarte en rode verf op hun gezicht en lijf. Matié, een jonge Carajás, moet lang nadenken over de vraag waarom hij hier is. “Ik kende mijn rivier, maar niet de zee”, zegt hij ten slotte. Een in natuurzijde gewikkeld meisje met een linnen tas ("Earth Day at the Boston Plaza') knikt ernstig. Dan zegt Matié opgelucht: “Ons opperhoofd heeft ons gezegd mee te komen.”

Sinds jaren vragen de Amazone-indianen aandacht voor hun problemen. Daartoe behoren de vernietiging van hun leefomgeving door het kappen van bos en door mijnbouw, ziekten waarvoor zij extra kwetsbaar zijn en vergifting door kwik dat vrijkomt bij de illegale goudwinning door de zogeheten garimpeiros - vrijbuiters die een arm leven in de grote steden verruilen voor het avontuur in de Amazone en hun afgewerkte chemicaliën lozen in de rivieren waaruit de indianen drinken. En ten slotte zijn de indianen bang voor de erosie van hun cultuur door de normen en voortbrengselen van de Westerse samenleving.

Na jaren tegen dovemansoren gesproken te hebben, ontdekken zij echter langzamerhand dat er een nieuwe wind begint te waaien, onder meer door de reorganisatie van het Braziliaanse overheidsinstituut Funai, dat verantwoordelijk is voor de inheemse gemeenschappen. En niet voor niets werd vorige week maandag, een week vóór de aanvang van de UNCED-conferentie, het decreet ondertekend dat de grenzen vaststelt van het 9,6 miljoen grote Yanomami-reservaat, in het noordwesten van Brazilië. Bij die gelegenheid overhandigden de Yanomami-leider Davi Kopenawa en president Collor de Mello elkaar respectievelijk een pijl en boog en een Mont Blanc-vulpen.

De Yanomami-indianen, met hun gewiekste "public relations', zijn echter nog steeds de uitzondering op de regel. In Brazilië leven zo'n 180 indianenstammen, met in totaal (nog) 240.000 leden, die niet alleen dezelfde erkenning van hun landrechten eisen maar in het verlengde daarvan ook politieke en economische autonomie. Voor de indianen is dat echter nog een volstrekte utopie. Dergelijke indiaanse staten-binnen-de-staat zouden immers betekenen dat de federale regering de facto grote hoeveelheden territorium afstaat aan een fractie van de totale Braziliaanse bevolking, die vervolgens eigenhandig lucratieve contracten zouden kunnen sluiten voor de exploitatie van grondstoffen.

“Er zijn ook indianen bij met een witte huid en blauwe ogen”, schreven de Braziliaanse kranten verbaasd over Aslak Nils Sara uit Lapland. In het dagelijks leven is hij directeur van een vakbond van rendierhouders in Kawtokeino. “Dat zijn wij wel gewend”, zegt hij, terwijl hij een mug uit zijn nek veegt. “Wij zijn geen indianen, maar voelen ons wel verwant, omdat ook ons bestaan rechtstreeks met de aarde is verbonden. Iedereen in dit dorp leeft van wat de aarde en de zee voortbrengen, en dat weerspiegelt zich in onze culturen en talen.”

Aslak komt aandacht vragen voor de stuwdammen en mijnbouwprojecten in het hoge noorden van Noorwegen, die de rendierhouderij bedreigen. Ook is hij bang dat de wereld te weinig doet aan de dreigende milieuvervuiling door chemisch en nucleair afval op het naburige schiereiland van Moermansk en in de Barentszee. “Onze eerste contacten met de Scandinaviërs dateren van 800 na Christus”, zegt Aslak, “maar onze cultuur is ten minste 8.000 jaar oud. Wij zijn daar altijd geweest. Ook dat is iets wat de aanwezigen hier verbindt. Maar wat kunnen wij doen? Alleen de regeringen hebben de technische kennis en macht om veranderingen te brengen.”

“Kari-Oca is naar een crescendo gegroeid, zonder ook maar één wanklank”, zegt organisator Zuzanka Kutena, een Australische van Tsjechische afkomst. “Wat hier ontstaan is, gaat liefde te boven. Het is een inheems gevoel over, ja, de waarheid.” Zij leidt het zeer eerbiedwaardige Nigeriaanse stamhoofd Dappa Biriye naar een boomstronk, waar de Newyorkse fotograaf William Coupon een camera en een lamp heeft opgesteld om de gasten van Kari-Oca vast te leggen voor een koffietafelboek. Coupon, met rode verf op zijn gezicht en een armband met veren om, danst in korte broek op sandalen voor zijn studiogast heen en weer. “Nog even naar links, Your Royal Highness, nog even naar rechts, zo ja.” Flits!. Dappa leunt op zijn wandelstok en buigt zich naar zijn secretaris, die een bolhoed draagt. “Chief”, zegt hij met een vergevingsgezinde lach, “dit is de bescheidenheid van het moderne koningschap”.

Dappa logeert bij de Nigeriaanse consul in Rio. De hotels in Rio zijn volgeboekt door de 30.000 UNCED-deelnemers. “Het is maar op het nippertje gelukt”, zegt Nathalie Falla, een lerares die vanuit Australië naar Rio is gereisd, toen ze van Kari-Oca hoorde. Ze dacht dat ze zich met haar talenkennis - Frans, Duits, Engels, Spaans en Portugees - wel nuttig kon maken. Dat was zo, maar ze is ook een beetje teleurgesteld. Zo is ze tot nu toe maar twee Polynesiërs tegengekomen, terwijl die toch veel te duchten hebben van een stijgende zeespiegel. En ze is ook een beetje boos, omdat de inheemse groepen haar 's avonds niet toelieten bij hun werkgroepen. “Ze gaan soms met me om alsof ik een verwerpelijke blanke ben”, zegt ze. “Maar het zou wel zo efficiënt zijn als ze eens naar ons luisterden.”

Foto: Een Braziliaanse Carajás-indiaan dit weekeinde in Rio de Janeiro in de nederzetting Kari-Oca. (Foto Reuter)