Het chagrijn van Pieter Geyl

Wie iets over België te berde wil brengen moet eerst de woorden van de toneelregisseur en volksvertegenwoordiger Jan Decorte tot zich door laten dringen: “De Walen zouden niet content zijn in Frankrijk en de Vlamingen zeker niet in Nederland. Excuseer, maar ik voel mij nergens vreemder dan in Nederland. Ik versta niets van die mentaliteit” (NRC Handelsblad, 16 mei). Zou het voor ons heel anders zijn? Kortom, denken over onze verre buren staat in het teken van schroom.

Toch dient België zich weer aan als een probleem dat Nederland zou moeten interesseren. Steeds meer tekenen wijzen op een ernstige verzwakking van het staatsverband. Hoever dat zal gaan weet niemand, maar het typeert ons tamelijk abstracte begrip van Europa, dat het langgerekte conflict in België slechts weinigen bezig houdt. We palaveren over grootse Europese verbanden, maar dat de bouwstenen van datzelfde Europa voor onze ogen vergruizen lijkt niemand te verbazen.

Door deze voortschrijdende onttakeling van België heeft het werk van de befaamde Nederlandse historicus Pieter Geyl aan actualiteit gewonnen. Geyl wilde de band tussen Nederland en Vlaanderen aanhalen en was bezield van de zogenaamde "grootnederlandse gedachte'. Hij stelde zich ten doel om “de oude en rotsvaste grondslagen van stam- en cultuureenheid van onder de latere kunstmatige overbouw van politieke schikkingen te voorschijn te halen”. Op twee manieren heeft hij gelijk gekregen. Met zijn vaststelling dat België een “kunstmatige eenheid” is en verder met zijn schildering van de “harteloze onverschilligheid” waarmee in Nederland naar de zuiderburen, in het bijzonder de Vlamingen wordt gekeken.

Geyl pleitte niet zozeer voor het uiteenvallen van België, alswel voor een federalisering van het land en voor een grootnederlandse cultuurgemeenschap. Over het geheel genomen nam Geyl een gematigd standpunt in, hoewel hij zelf na de oorlog verontschuldigend vaststelt dat hij zich “wel eens te ver heeft laten meeslepen” door de nationale beweging waaraan hij deelnam.

Het natie-begrip waarop zijn overwegingen berusten is even helder als naïef: “Een natie ontstaat door historische werking op de grondstof van een taalgroep, waar die tenminste geografisch niet gescheiden is”. Laconiek merkt hij op: andere factoren “werken gewoonlijk wat lukraak”. Voor hem zijn de taalgemeenschap en het geografische verband dus doorslagevende factoren bij de vorming van een natie.

Het ligt dan ook voor de hand dat in zijn ogen de splitsing van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden aan het einde van de zestiende eeuw en opnieuw na de Belgische opstand van 1830 een onnatuurlijk gegeven is. Want niets had meer voor de hand gelegen dan de vorming van een natie-staat uit de zeventien Provinciën. “Welke is de stoornis geweest”, vraagt Geyl zich dan ook herhaaldelijk af. Zijn antwoord luidt: de ongunstige “uiterlijke omstandigheden”. “Gelegen op een plek waar de voornaamste Europese machten maar al te groot belang in stellen, werd zij nooit met rust gelaten om haar natuurlijke lotsbestemming te vervullen”, schrijft hij in 1923.

Door zo de uiterlijke omstandigheden tegenover een natuurlijke lotsbestemming te plaatsen ontstaat een duidelijk, maar wel wat verwrongen beeld. Want wat te denken van de religieuze tegenstellingen tussen beide delen van deze taalgemeenschap? In opstellen als De protestantisering van Noord-Nederland (1930) probeert hij het beeld van Nederland als protestantse natie krachtig te relativeren. Ook de handelsconflicten tussen Amsterdam en Antwerpen komen Geyl voor als een gegeven van ondergeschikt belang.

Tussen zijn beide waarnemingen - namelijk de kunstmatigheid van België en de desinteresse voor de Nederlands-Vlaamse cultuurgemeenschap in het Noorden - zit natuurlijk een enorme tegenstrijdigheid. Want zijn natie-begrip kan nog wel het wankele staatsbestel van België helpen verklaren, maar niet het gebrek aan enthousiasme in het Noorden voor de "groot-Nederlandse gedachte'. Waarom wordt op zijn minst deze taalgemeenschap in Nederland niet als zodanig ervaren?

Geyl ontkomt er niet aan om vast te stellen dat het natie-gevoel in veel gevallen een produkt is van staatsvorming en er niet aan vooraf gaat. Hij ziet dat wel, maar is te zeer vervuld van zijn cultuur-politieke project om de theoretische gevolgen uit zijn tegenstrijdige waarnemingen te trekken. Geyl is voortdurend in de weer om “de algemene houding van de Nederlandse intellectuelen” aan te klagen “die zich in hun boven-Moerdijkse nationaliteit àf voelden en niets liever wilden dan geloven, dat de Belgen een even "affe' nationaliteit vormden als zij”.

Ongeacht zijn naïeve begrip van de natie krijgt Geyl nu gelijk. België is gevangen in een proces van “onafwendbare verbrokkeling van de eenheidsstaat” (NRC Handelsblad, 25 mei). De vraag is vervolgens hoe erg dat is. Leidt de Europese eenwording niet tot het functieverlies van àlle betrokken nationale staten en behoren onze zuiderburen in dit opzicht niet tot de voorlopers?

Zo zien de meest fervente voorstanders van volledig zelfbestuur van Wallonië en Vlaanderen het in ieder geval wel. "Wallonië région d'Europe' heet het bijvoorbeeld. Dergelijk Europees regionalisme is weinig meer dan een voorwendsel. Wordt Europa een alibi om separatisme bot te vieren? Het zou toch een merkwaardige vorm van integratie worden als deze de mogelijkheid zou bieden aan Walen en Vlamingen om verder ongehinderd langs elkaar heen te leven. Maar zoals de oud-hoofdredacteur van De Standaard, Manu Ruys, zegt: “Het taboe op seperatisme is verdwenen” (NRC Handelsblad, 16 mei).

Geyl worstelde met het probleem dat de Duitsers na de oorlog maar al te goed kenden: twee staten, één potentiële cultuurnatie. Komen deze losse culturele en politieke betrekkingen onder invloed van het desintegratieproces van België in beweging? Anders gezegd: kan Nederland blijven volharden in de "harteloze onverschilligheid' voor wat zich aan onze grenzen afspeelt? Dat is een vraag die zweemt naar een lang vervlogen tijd en toch opnieuw de aandacht opeist.

Leidt de verzwakking van de staatsgrenzen tot een versterking van het besef dat Nederland en Vlaanderen tot één cultuurgemeenschap of tenminste tot één taalgebied behoren? Of hebben staats- en cultuurgrenzen allang weinig meer met elkaar te maken en zijn door de internationalisering van de cultuur de bestaande taalgrenzen tot weinigzeggende grootheden gedegradeerd? Wie van dat laatste niet overtuigd is, zal moeten nadenken over de culturele en politieke gevolgen van een verder verval van België. Niet vanuit de zelfgenoegzame, verwaten houding die Nederland tot nog toe in zijn verhouding tot België kenmerkt, maar vanuit het besef dat de culturele verwantschap met Vlaanderen een verruiming van onze gezichtskring betekent. Nu nog denken we zelf al zo Europees te zijn dat we Europa nauwelijks nodig hebben, laat staan Vlaanderen.

Het is overigens niet te verwachten dat de vreemdheid tussen Vlaanderen en Nederland snel minder zal worden. Het chagrijn van Geyl zal ook nu wel het meest waarheidsgetrouw blijken: “Maar wij missen gemeenlijk het besef van die zekere beperktheid, van die zekere vastgevrorenheid, die onze verhoudingen kenmerkt. Daarom voelen wij de behoefte aan die verruiming van onze geestelijke horizon niet zo diep, ofschoon het naar mijn overtuiging een weldaad zijn zou als iemand opstond en ons van ons tekort bewust kon maken”.

    • Paul Scheffer