Aankomst

In Lelystad schoot iemand me verleden week aan om te zeggen dat één zin diepe indruk op hem had gemaakt, namelijk die waarin ik een lepelaar liet vliegen alsof hij op een surfplank lag. Ik knikte. Het is altijd mooi als een zin indruk maakt. Het is ook altijd een beetje treurig, want zo'n zin is hoe dan ook voorbij en er komt een moment dat ze op zijn, je zinnen.

Ik knikte en probeerde me te herinneren. Ja, ik had eens zoiets geschreven. Maar waar, wanneer en vooral waarom? Ik vind een surfplank geen mooi ding, geen mooi woord ook. En er wou me maar geen vliegende lepelaar voor de geest komen.

Gisteren ben ik overgestoken naar Texel. Twee uur na aankomst zat ik bij de Schorren. Het was eb, het wad reikte verder dan mijn oog. Boven het trillende vlak van de wereld verhief zich een versluierde tropenhemel. Schapen lagen hijgend op de dijk, er waren erbij die hikten van benauwdheid.

Ik vond vier fouragerende lepelaars in mijn kijker en nam aan dat het verder een kwestie van geduld zou zijn, en dat was het ook. Juist toen een jongen uit de omgeving van Trier naar mijn bezigheden kwam informeren, en of je hier op Texel überhaupt nog van een ökologisches Gleichgewicht kon spreken, vloog er één over.

Toen wist ik het weer: het is de snavel! Dat uitgestoken platte ding geeft het idee dat de lepelaar zich niet in, maar op de lucht beweegt. De plank waarop hij ligt, dat is hij zelf. En mooi hoor, prachtig.