Peter Jenkins en de wil tot onafhankelijkheid

Journalisten moeten zo min mogelijk over de journalistiek en haar beoefenaars schrijven. Maar een uitzondering kan gepast zijn. Zeker als het gaat om iemand die soms opmerkingen maakte waar deze zijde van de Doggersbank haar voordeel mee kan doen.

Woensdag overleed in Londen één van die mensen die van dit vak met zijn wankel zelfrespect iets vanzelfsprekends maakten. Peter Jenkins (58), commentator van The Independent, was niemands woordvoerder en veler gids in meer dan de Britse werkelijkheid.

Als broekje in Londen vroeg ik mij in de eerste helft van de jaren tachtig af waar hij stond. Niet dat het antwoord op die vraag enig belang had. Je hoefde niet helderziend te zijn om vast te stellen dat Jenkins beter was dan de rest en in het gepolariseerde Engelse persklimaat van die tijd zocht je onwillekeurig naar 's mans ideologische ophangpunten. Dat viel niet mee.

Met een net onderdrukt spotlachje stond Jenkins' hoofd een paar keer week in The Guardian afgedrukt boven zijn rubriek, die meestal met een paar welgekozen stappen door het politieke mijnenveld van alledag ging. Voor die krant, een beetje Volkskrant maar libertijnser, heeft hij van 1960 tot 1985 gewerkt. Of hij zich er nog thuisvoelde, was niet te merken, hij trok zich in ieder geval weinig aan van de lijn van de krant, welke dat in die dagen ook was.

Na twee waarschijnlijk ontheemde jaren bij de steeds meer naar een triomfalistisch soort kapitalisme neigende Sunday Times vond hij in 1987 zijn natuurlijk onderkomen: The Independent. Die krant was toen nog maar een paar maanden oud en had behalve aan lezers en adverteerders vooral behoefte aan gezag. Vanaf zijn eerste stuk was het duidelijk dat hij dat bood, en veel meer. Hij beschikte over een ook voor ontwikkelde Engelsen zeldzame eigenschap, de overtuiging namelijk dat Europa een betrekkelijk normaal deel van de wereld is, met charmante afwijkingen en problemen die niet volstrekt onvergelijkbaar zijn met wat Brittannia bezighoudt.

Zijn rol bij The Independent als schrijver, adjunct-hoofdredacteur en mede-bedenker van plannen was zichtbaar in druk, en op de redactie. Op zo'n typerende eerste ochtendvergadering - voor een ochtendkrant is de dag dan nog gevaarlijk lang - liep hij verlaat binnen alsof hij van een bijzonder amusante feestelijkheid kwam. De krijtstreep van zijn pak had cartoon-breedte, de rode bretels eronder waren geruststellend on-serieus. De belijning van zijn gelaat liep iets voor op het toen gebruikte fotootje in de krant. Het lachen stond hem nog steeds nader dan enig spoor van cynisme.

Hoofdredacteur en directeur Andreas Whittam Smith leidde de bijeenkomst met vaste hand: waar blijft het nieuws uit Kabul, wat levert Washington, ik wil een beter geschreven stukje "serieus vermaak' over de wereldprijslijst voor dirigenten - duidelijk de chef die de krant van die dag op smaak afmaakt. Hij deed dat overigens onderuit liggend op een sofa-model-studentenkamer. Uit de lichaamstaal van de leider was duidelijk dat hij alleen voor de laatst binnengekomene onvoorwaardelijk ontzag had.

Twee weken geleden maakte Jenkins nog een tocht naar Duitsland. Hij was lid van een Brits-Duits gezelschap dat in Königswinter regelmatig tot beter begrip bijeen kwam. De drie stukken uit het Wirtschaftswunder na de staking waren simpel en raak. Naar nu blijkt, benam de longziekte waar hij aan stierf, hem toen al bijna de adem om te tikken. Voor de lezer was daarvan niets te merken.

Nu zijn pen stil ligt, komt het stukje weer in gedachten dat Peter Jenkins begin mei schreef na de regeringsverklaring van John Major. Daarin werd misschien aangestipt waar Jenkins al lang naar op zoek was geweest. Het was een opmerkelijke column, vanwege zijn enthousiasme. Niet voor Major, want die moest hij nog zien slagen, maar voor een begin van nieuw denken.

Jenkins' stukje van 7 mei was niet veelzeggend omdat het onverminderd afstand nam van het schelle, dogmatische conservatisme van Margaret Thatcher. Maar omdat hij, anders dan de meeste commentatoren, een lijn in Major's "Queen's Speech' ontdekte die voor Europa, wie weet de Westelijke wereld, van belang kan zijn. Het ging niet om een strategische heroriëntatie van het Atlantisch bondgenootschap, evenmin om de redding van Rio. Daar wist hij ook het nodige over te zeggen, maar niet deze keer.

Jenkins was opgetogen over aanzetten tot het opnieuw definiëren van de taak van de staat in zijn verhouding tot de burger. Major had de draad weer opgenomen van de naoorlogse Conservatieven die het gebruik van de staat voor goede doelen niet per definitie veroordeelden. Thatcher gruwde van de staat, al centraliseerde zij meedogenloos. Major ziet geen beschaving zonder de staat, maar eist dat die verantwoording aflegt aan de burger. Daarom maakt hij veel werk van zijn Citizen's Charter, dat de rechten vastlegt van de burger als klant van overheidsdiensten. Het idee is even voor de hand liggend als verstrekkend wanneer men zich de praktijk van belastingsdienst, griffie, rijkswaterstaat, streekvervoer en noem maar op even indenkt.

Jenkins ontwaarde een politieke visie “noch paternalistisch, noch laissez-faire”, de verzoening tussen markt en verzorgingsstaat, die hij terloops kenmerkend noemde voor de christen-democratie in grote delen van Europa. Afgezien van de vraag of het alleenrecht op de sociale markteconomie bij de CDA's, CDU's en EVP's berust, de opgetogenheid van Jenkins is aanstekelijk, al illustreert zij dat de cycli in verschillende landen niet helemaal gelijk lopen. Maar de kern van het probleem is overal goed vergelijkbaar.

In Engeland roept het doorgeslagen economisch individualisme om matiging, in Nederland is het nog nauwelijks in gang gezet: een poging de wil tot onafhankelijkheid van iedere burger te doen herleven. Waar Thatcher in geblindeerd fanatisme op mikte en waar John Major met gewonere woorden en daden zijn best voor zegt te doen, is hier nog goeddeels anathema. Alsof het hervinden van het zelfbewustzijn van de burger niet voor iedere politieke partij vaste kost zou moeten zijn.

Tot recht verworden loomheid is geen nationaal probleem. Wie alle restjes ideologie en kiezers-marketing terzijde schuift, ziet in Nederland steeds meer voorbeelden van franchising van de eigen verantwoordelijkheid. Van vakbonden die het beter weten dan ondernemingsraden. Van banken die ons heerlijkheid beloven in hun reclame en de gewoonste diensten niet kunnen leveren. Het gaat niet om "overheid' of "particulier initiatief', het gaat om verantwoording en verantwoordelijkheid. Wie daar onderuit probeert te draaien vraagt om zoeklichten als die van Peter Jenkins.