LELYSTAD

Geschiedenis Werkeiland Lelystad 1950-1958 door H.J. Bekius, H. Bekius-Meijerink en J.J. Beekhuis-Van der Schalie 144 blz., geïll. Walburg Pers 1992 (Flevo Profiel, deel 9), f 29,50 ISBN 90 6011 784 0

De aanleg van de Flevopolder kon na de oorlog ter hand worden genomen, vooral dank zij 40 miljoen Marshallhulp in 1950. Op één van de diepste punten middenin het IJsselmeer werd begonnen met een deel van de dijk, en een bouwput - waaruit de sluizen en het gemaal Wortman moesten verrijzen. Dit verbrede stuk dijk heette Perceel P. Op 28 oktober 1954 hield het op een eiland te zijn, de Knardijk was af, en het werd omgedoopt in Lelystad.

""Het ontstaan van de polder lijkt wel iets op het scheppingsverhaal'', meent één van die kleine scheppers. Dit boekje is het verhaal van de mensen die op het werkeiland hebben gewerkt en gewoond. Aanvankelijk dobberden er pontons met barakken midden op het water, zodra het kon werd er een houten kamp opgezet (1951) en twee jaar later verrezen de eerste stenen huizen voor de bouwvakkers aan het gemaal en de sluis, en de eerste pioniers. Naarmate de bouw vorderde nam de bevolking toe en werden steeds meer beroepen uitgeoefend. De werkgelegenheid groeide er met de dag, en zo ontstond een kleine gemeenschap.

In tegenstelling tot de Noordoostpolder, waar vooral zeer gemotiveerde boerenzoons via het ontginningswerk een boerderij hoopten te kunnen krijgen, bestond de populatie van Perceel P uit arbeiders die na de klus weer zo snel mogelijk naar huis hoopten te kunnen gaan. Die werkers van het eerste uur waren vooral op elkaar aangewezen, en bovendien was die tijdelijke populatie eenzijdig samengesteld: vrouwen en kinderen ontbraken. Die waren maar lastig, ""vrouwen moeten naar de dokter of naar de kapper'', en in beide was in het begin niet voorzien. Maar zelfs de kleinste gemeenschap heeft zo zijn noden, en de dienstverlening aan de noeste werkers breidde zich gestadig uit. Eerst met een arts (één van de schrijvers van dit boekje), kantinebeheerders, energie- en drinkwatervoorzieners en één politieagent, om mee te beginnen.

Ook dominees werden ingehuurd, aanvankelijk bij toerbeurt (de protestantse gemeenschap probeerde een voorschot te nemen op de oecumene, die echter mislukte), later ieder voor eigen gemeente. De katholieke parochie bestond aanvankelijk maar uit één gezin: de doop van het eerste roomse kindje haalde nog De Linie. In 1966 werd Oostelijk Flevoland drooggelegd, en een jaar later waren de eerste huizen van Lelystad bewoond. In het relaas van de weg daartoe ontbreekt één woord: verveling.

De samenstellers van dit boekje zijn er vrijwel van meet afaan bij geweest en hebben de geschiedenis gereconstrueerd aan de hand van literatuur (grappig dat er zelfs een biografie van de schrijver in is opgenomen) en interviews met mannen van de harde kern en vrouwen uit de eerste lichting. Na een vluchtige biografische schets zijn de gesprekken naadloos in het lopende verhaal ingepast en verlevendigen de tekst, die overigens nogal technisch en droog is opgeschreven. Het besluit tot de aanleg van de polders en de voortgang van de werkzaamheden is opgenomen in ambtelijke rapporten. Dit boekje, een mengvorm met "oral history', toont maar weer eens dat het mensenwerk is. Mannenwerk.