Over de rand (1)

Over de rand van Nederland is het goed wandelen. En een trektocht van het dal van de Maas, op ruim 45 meter boven Nieuw Amsterdams Peil, naar het Drielandenpunt op 321 meter, spreekt tot de verbeelding. Dus waren de verwachtingen voor de tweedaagse tochtbij het vertrek vanuit Eijsden, bezuiden Maastricht, hooggespannen.

Aan de Maasoever staat de eerste Belgische grenspaal uit 1843, zo'n spits toelopend metalen ding met een kopje erop. Links aan de overkant van de rivier gloort de industrie van het Belgische Vise, een uitloper van de staal en steenkool rond Luik. Het oude Eijsden bestaat eigenijk maar uit één fraaie, brede laan, verder slechts sfeerloze nieuwbouw. Bij de snelweg ligt het gehucht Mariadorp, met een kolossale in baksteen opgetrokken kathedraal van moderne snit. Gelukkig wordt onmiddellijk daarna het land van haast en rumoer verlaten.

De Ezelsweg voert steil omhoog, tussen glooiende weiden door. Dankzij de EG is een groot deel van de akkers omgezet in weiland en boomgaarden; het landschap is er overigens niet minder fraai om. In de verte groeien hellingbossen: daar was het te steil voor akkerbouw. Het overige geboomte werd al in de middeleeuwen grotendeels gekapt. De bodem van lossdeeltjes, tijdens de ijstijd door de gure noordenwind aangevoerd, was immers buitengewoon vruchtbaar.

Ik loop langs een holle weg, onverhard, uitgesleten door de regen die vat kreeg op de bodem nadat de tred van mens en dier de vegetatie had vernield. Hagen en heggen ontnemen de wandelaar het vergezicht en maken de tocht des te verrassender. Aronskelk en wijngaardslak behoren tot de speciale vegetatie. De hagen die de boer vroeger op het einde van een hellende akker aanlegde heten "graften': ze hielden de door regen en wind losgewerkte loss tegen waardoor het landschap soms terrasvormig werd. Heel fraai zijn ook de droogdalen of "grubben', waar ooit een riviertje stroomde.

Het Mergelland is van oorsprong een omhooggeschoven zeebodem. Zo'n 70 tot 120 miljoen jaar geleden, tijdens het Krijt, werd Zuid- Limburg nog door de zee overspoeld. Op de bodem werd een dikke laag schelpen en kalkresten van andere zeedieren afgezet. Later werd deze kalklaag omhoog gedrukt. Nog later, toen de mens zijn opwachting maakte, werden enorme groeven of mergelgrotten gegraven. Die werden soms ook bewoond: Neerlands laatste grotbewoonster Greetje Blankers verliet, 83 jaar oude, pas in 1970 haar persoonlijke grot.

Een min of meer verhard weggetje daalt geleidelijk af naar België. Juist over de grens is men druk bezig alle bomen, trotse eiken en dunne bongerdboompjes, af te zagen. Hellingafwaarts wordt de torenspits van 's Gravenvoeren zichtbaar, waar na 1962 een felle strijd losbrak tussen flaminganten en francofonen. In cafe Wijnants, de thuishaven van de eerste groep, serveert de brildragende bleke cafédochter een best kopje koffie.

Voor een wandelaar is de Voerstreek een paradijs. Langs de noordhelling van de brede vallei waarin de dorpen liggen lopen overal schilderachtige holle wegen. Ik daal af naar het gehucht Schoppem. De huizen en hoeven langs de Voer worden overal met bruggetjes met de overkant verbonden. Het landschap is hier niet aangeharkt of parkachtig, zoals in Zuid-Limburg nogal eens het geval is. Het is veel "echter'.

Een prachtig pad voert door het bos omhoog, en dan rechtsaf over de heuvelgraat waar de grens ligt. Net op Belgisch grondgebied verrijst een massieve, kale hoeve, met diverse aanbouwsels en een gigantische troep eromheen. Dit is het einde van de wereld. Gelukkig voert een zanderig pad, dat later overgaat in een holle weg, terug naar het dal. Beneden ligt Sint Martensvoeren, het mooiste dorp van de Voerstreek.

Verharde weggetjes voeren nu een stukje zuidwaarts, naar Sint Pietersvoeren. De kerk is nog steeds met grote witte letters van de "Action Fouronnaise' beschilderd. In het park bij de Kommanderij, een kasteel van de roemruchte Duitse Orde, ontspringt de Voer. Ik loop verder naar het verstilde Veurs, bij het gelijknamige riviertje, waar de spoorlijn in een tunnel verdwijnt. Dwars door de weilanden bereik ik het hooggelegen grensgehucht Plank. Vandaar gaat het, terug in Nederland, langzaam omlaag naar de schilderachtige vallei van de Gulp, naar Slenaken. Het schemert, het dorp lijkt verlaten maar het hotel loopt behoorlijk vol. Tijd voor een stevig glas donker bier.