Mooie tot prachtige fictie

Wat hebben andere mensen dat ik niet heb en dat maakt dat zij steeds weer nieuwe lijstjes kunnen maken van de mooiste, net verschenen fictie-boeken, waarop er dan verscheidene staan waarin ik niet verder kwam dan pagina twintig of die ik slechts plichtmatig uit kon lezen?

Ik heb me daar wel vaker over verbaasd, maar nu bij de laatste categorie ook het boek hoort dat onlangs de AKO-prijs verdiende voor de schrijfster, vond ik het tijd worden toch eens te proberen een oorzaak van dit beoordelingsverschil te vinden. Van een citaat uit het juryrapport dat in deze krant stond werd ik niet veel wijzer: “Zij schetst in stemmig, sensitivistisch proza, dat trefzeker de complexe ervaringswereld van de personages oproept, een ijle, autistische wereld waarin vijf hoofdpersonen, in eigen verwarring en isolement verstrikt als tot eenzaamheid gedoemde planeten in een weids heelal elkaar wel kunnen waarnemen, maar nauwelijks kunnen bereiken”.

Een hele nieuwe garderobe voor de keizer, zo te horen.

Nadenkend over wat ik zelf in het algemeen mooie tot prachtige fictie vind, was het eerste criterium dat in me opkwam er één uit m'n kinderjaren: het moet niet gaan over mensen die net zo'n leven leiden als ik. Identificatie via een vertrouwde tijd en plaats was vroeger aan mij niet besteed en is dat nog steeds niet. Ik zoek herkenning en vereenzelviging liever in het spannende van personages van geheel andere makelij dan ikzelf. Dat zet Eerst grijs dan wit dan blauw voor mij al op achterstand, want het is te huis-tuin-en-keuken-dichtbij.

Bovendien is het lezen van fictie voor mij geen cerebrale aangelegenheid. Daar heb ik vakliteratuur en essays voor. Boeken waarin je alinea's onderstreept en opmerkingen maakt in de kantlijn. Door romans wil ik emotioneel geraakt worden en liefst ook kunnen lachen. Ik lees zulke boeken voor m'n plezier, zonder enig plichtsbesef. Het mooie is wel dat ik er dan toch onbedoeld ook zonder aantekeningen veel van onthou, er over nadenk en er een beetje ander mens door word.

Nu zijn dit misschien wat te particuliere gekkigheden, wezenlijker en objectiever is mijn eis dat een verhaal organisch in elkaar moet zitten. Al lezend maak je een proces van handelingen en gedachten mee van niet bestaande mensen, die toch tot leven moeten komen. Dat lukt alleen als hetgeen de schrijver over hen en hun onderlinge relaties vertelt met emotionele logica in elkaar grijpt. Zo ontstaan karakters die je bijblijven en die deel gaan uitmaken van je eigen denkrepertoire over mensen. De jongens van Nescio en de meisjes van Mary McCarthy. Dreverhaven van Borderwijk en Dr. Larch van John Irving.

Ik heb begrepen dat sommige schrijvers denken dat iedereen in dit leven rond gaat als een kip zonder kop. Dat maakt het schrijven vast een stuk makkelijker, omdat je niet hoeft na te denken of je personages en hun ervaringen kloppen, maar karakters van vlees en bloed krijg je zo niet. Ook geen verhalen, wel zanderige beschrijvingen van hoe men zeurt, vrijt, filosofeert, drinkt en doet, zonder dat het ergens toe leidt. Er zit echter wel degelijk systeem in het (inter)menselijk beleven en gedrag en dat wil ik lezend kunnen terugvinden. Margriet de Moor gaat ver in de ontkenning hiervan. Toen haar tijdens een interview werd gevraagd waarom haar vrouwelijke hoofdpersoon zonder enig bericht achter te laten vertrekt uit de echtelijke woning om pas twee jaar later terug te keren zei zij: “Ze gaat weg, dat is gewoon een feit”. Maar dat is helemaal geen feit. De schrijfster heeft dat verzonnen en moet daar met literaire middelen een feit van zien te maken. Zij doet daar echter in het boek geen enkele moeite voor. Ook de moord op deze vrouw, toch een belangrijke gebeurtenis, wordt op geen enkele manier aannemelijk gemaakt, beter gezegd onafwendbaar gemaakt.

Voor mij is dat inderdaad het volgende kenmerk van een mooie roman: er is een voortdurende spanning tussen enerzijds bijna dwingend kunnen voelen aankomen wat er zal gaan gebeuren en anderzijds worden verrast door een nieuwe, soms bizarre wending. Tijdens een televisiediscussie ter gelegenheid van de AKO-prijs zei de schrijver Vogelaar dat hij vond dat je niet alles hoefde op te schrijven, maar dat de lezer ook “zelf moest kunnen invullen.” Daar ben ik het wel mee eens, lang niet alles hoeft expliciet te worden beschreven, maar je moet wel ingrediënten aangereikt krijgen voor een eigen hechte constructie.

Er is verschil tussen een schrijver die zijn geesteskinderen door en door kent en weet wat hij voor de lezer weg kan laten en de schrijver die zelf ook niet méér weet dan hij opschrijft. Zo iemand lijkt op de moderne dokter die aan zijn patiënt vraagt: “Wat vind u er zelf van?” Maar daarvoor betaal ik niet voor een boek. Ieder z'n vak. Je bent verhalenmaker of je bent het niet. Hoe onvolledig gegevens en beschrijvingen kunnen zijn als ze maar wel een patroon vormen blijkt uit Heren van de thee van Hella Haasse, voor mij horend tot de mooie boeken. Hele periodes uit het leven van de personages worden overgeslagen, maar je leert ze wel kennen.

En ten slotte heb ik toch maar liever een plot. Een verhaal moet een centraal thema hebben dat zich geleidelijk ontvouwt in een opeenvolging van gebeurtenissen die met elkaar in verband staan (van het een komt het ander). Iets waardoor het uiteindelijk allemaal is gekomen of iets waarop het uiteindelijk allemaal uitloopt. Zo maar ergens beginnen en zomaar ergens eindigen vind ik niet interessant. Al met al begrijp ik nog steeds niet waarom andere mensen dat geen bezwaar, ja zelfs wel "sensitivistisch' kunnen vinden.