Dubbele moraal OM bij "helende advocaten'

Het Openbaar Ministerie dat een advocaat vervolgt wegens de wijze van honorering van de door hem gevoerde verdediging laadt al gauw zèlf een drievoudige verdenking op zich: "intimidatie, repressie en verlies van afstandelijkheid'. Deze in duidelijke termen gegoten waarschuwing uit de eigen gelederen deed het hoogste beleidscollege van het Openbaar Ministerie in oktober 1989 besluiten tot de stelregel dat advocatenhonoraria uit verdachte bron niet strafrechtelijk worden aangepakt, behoudens “duidelijke criminele betrokkenheid van de advocaat bij zijn cliënt”.

Houdt het Openbaar Ministerie (OM) zich aan zijn eigen normen? Dat is de vraag nu bekend is geworden dat het OM in Alkmaar een schikking van 65.000 gulden heeft getroffen met de Haagse strafpleiter prof.mr.jhr. M. Wladimiroff wegens bedriegelijke bankbreuk en heling. Het eerste slaat op honoraria die zouden zijn onttrokken aan een faillissement, het tweede op honoraria afkomstig van een omstreden Zwitserse bankrekening. In beide gevallen had het geld een luchtje, maar getuigde dit ook van criminele betrokkenheid van de advocaat? Dat laatste veronderstelt, in de woorden van de toenmalige minister van justitie (en oud-advocaat) mr. F. Korthals Altes in 1987, “een gezamenlijke opzet, echt bewust gemaakte afspraken, een gezamelijk profijt trekken van een misdrijf”. Kortom: een zware bewijslast.

Dat mr. Wladimiroff de schikking dan toch maar is aangegaan betekent niet dat hij schuld heeft bekend. De strafrechtelijke transactie is namelijk een ietwat onbestemde rechtsfiguur. De Hoge Raad zet deze term tussen aanhalingstekens om aan te geven dat het niet een “dading” is zoals die in civiele zaken heel gewoon is. Deze overeenkomst tussen particuliere partijen een proces te voorkomen is kleurloos en houdt, tenzij speciaal overeengekomen, geen erkenning van schuld in. In strafzaken zijn de partijen niet gelijk. Het Openbaar Ministerie vertegenwoordigt een hoger, algemeen belang. Tegelijk geldt in strafzaken het beginsel dat iemand voor onschuldig wordt gehouden zolang het tegendeel niet wettig bewezen is. Dat laatste is typisch de taak van de rechter.

Een schikking is geen vonnis. Het verschil tussen die twee is in 1983 nog vergroot toen de wettelijke mogelijkheden voor transactie in handen van het OM werden verruimd. Model stond het economisch strafrecht waarin het merendeel van de zaken met de verdachte wordt getransigeerd. Het gaat om meer dan tienduizend schikkingen per jaar, vaak om aanzienlijke belangen, waarin volgens deskundigen vaak “indringend wordt onderhandeld” tussen OM en verdachte.

Het geval van “helende advocaten”, zoals de kwestie in de vakpers te boek staat, ligt tegelijk makkelijker en gecompliceerder. Makkelijk doordat de strafwet op het punt van heling zo is verruimd dat vrijwel iedere vorm van "begunstiging' te pakken valt. Dat de dagelijkse werkelijkheid een andere is illustreren de huidige tv-spotjes van Postbus 50 over de fiets van vijfendertig gulden die papa van een onbekende betrok - de dubbele moraal viert hoogtij. In het geval van de advocatuur doen zich speciale complicaties voor. De Nijmeegse hoogleraar strafrecht (en beoogd lid van de Hoge Raad) Corstens wees in 1987 bij een eerdere aanvaring tussen OM en advocatuur op de opiniepagina van deze krant op een dreigende "Catch 22-situatie': wegens het gevaar van heling gaan advocaten betalende cliënten weigeren terwijl die cliënten geen raadsman toegevoegd kunnen krijgen omdat zij over, zij het illegaal verworven, vermogen beschikken. Zo zou het fundamentele recht op een adequate verdediging in strafzaken zelfs onmogelijk kunnen worden gemaakt.

De betrekking tussen advocaat en cliënt dient bovendien te worden beschouwd “als één geheel”, zoals minister Korthals Altes in 1987 opmerkte, waar “de overheid, inclusief het OM, buiten blijve”. Deze analyse wordt kracht bijgezet door een wettelijk beroepsgeheim die de vertrouwensrelatie - waarmee het recht op verdediging staat of valt - zelfs voor de rechter immuun verklaart. De vertrouwensrelatie staat echter onder druk door de “antagonistische verhouding tussen OM en raadsman”, zoals het beleidscollege van het OM het in 1989 noemde. Deze klinisch ogende typering was op zichzelf een onthullende "slip of the pen', want het OM pleegt het beeld van zijn “magistratelijke” rol - afstandelijkheid in plaats van antagonisme - juist publiekelijk te koesteren. Het was in elk geval eerlijk. Zeker de laatste jaren is er sprake van een escalatie in de strafrechtspleging, ingezet door grote fraudezaken. De bron van de advocatenhonoraria leent zich uit de aard van dit soort zaken eerder voor discussie dan in het geval van de gemiddelde doodslag. En juist in grote fraudezaken vond een nieuwe generatie dynamische officieren van justitie nogal eens een nieuwe generatie spitsvondige en vasthoudende verdedigers op hun pad.

Deze breuklijn zet zich voort op het gebied van de “zware en georganiseerde criminaliteit”, de laatste jaren een hot item in de justitiële politiek. Op een trendsettende Nederlands-Amerikaanse conferentie over dit onderwerp eind 1990 noemde een politiechef als kenmerk van de doelgroep: “ze hebben hun eigen advocaten, notarissen en makelaars (ze zijn zeer goede klanten)”. In het kader van de “buitgerichte aanpak” die inmiddels tot justitiële topprioriteit is verheven, lijkt de conclusie eenvoudig: pluk (ook) de advocaat.

Toch ligt hier precies het bepalende onderscheid: de "consigliere' is iets anders dan de raadsman in een strafzaak. De eerste is de huisadvocaat van de mafia die de weg helpt plaveien. In het tweede geval geldt: de dief steelt niet om zijn advocaat te betalen, hij hoopt er integendeel nooit één nodig te hebben. Het verschil valt te illustreren met de affaire van de "vier van Breda' die vijf jaar geleden een belangrijke aanleiding vormde voor de beleidslijn van het OM. Het verwijt luidde toen onder meer: het wegwerken van de buit en behulpzaamheid bij het voorzetten van drugshandel van een opgepakte dealer. Dat is nog wel iets anders dan een uit illegale bron afkomstig advocatenhonorarium. Net zoals de justitie zelf ook niet altijd vraagt wat precies de herkomst is van een gestorte waarborgsom.