DE LIEFDE VOOR DE NATUUR KWAM VAN RECHTS

Natuurbeleving en arbeidersbeweging. De Nederlandse socialistische arbeidersbeweging in haar relatie tot natuur en milieu door Ger Harmsen 168 blz., NIVON (Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk) 1992, f 23,50 ISBN 90 70601 31 1

Wie in politiek Nederland de daadwerkelijke belangstelling voor natuurbeheer en natuurbeleving tracht te peilen, zal eerder bij de linkervleugel dan bij rechts belanden, ondanks de tegenwoordig door alle partijen met de mond beleden betrokkenheid bij "het milieu'. De naam "Groen links' wekt reeds de suggestie van een progressieve betrokkenheid bij de natuur. En wie in onze parlementaire en maatschappelijke geschiedenis zoekt naar grote voorvechters van natuurbehoud en strijders voor de erkenning van intrinsieke natuurwaarden, komt terecht bij Henri Polak en Marinus van der Goes van Naters, protagonisten van de SDAP.

Wie daaruit echter zou afleiden dat besef van de betekenis van de natuur, zowel op zichzelf als voor de samenleving, een wezenlijke trek zou zijn van de socialistische arbeidersbeweging, komt bedrogen uit. Minder nog dan elders in Europa heeft deze beweging zich iets aan de natuur gelegen laten liggen.

Het socialisme bekommerde zich om de sociale, economische en culturele emancipatie van de arbeider, uit een urbane traditie. Karl Marx en Friedrich Engels waren stedelijke denkers. Zij zagen weliswaar in dat de natuur als produktiebron waarde had en dat die door de mens werd bedreigd, maar ze beschouwden dat als een euvel inherent aan het kapitalisme. Onder socialistische en zeker onder communistische heerschappij zou immers de heilstaat ontstaan; dan zou blijken dat de almachtige mens de natuur vrijelijk zou omvormen en naar zijn hand kon zetten.

Rosa Luxemburg, en in Nederland Polak, Van der Goes van Naters en Henk van Laar, behoren tot de weinige vooraanstaande persoonlijkheden uit de socialistische beweging die zowel oog hadden voor maatschappelijk onrecht als voor de waarde van de natuur. Voor zover er in het linkse politieke denken vóór het verschijnen van het rapport van de Club van Rome voor die waarde aandacht was, sloot men zich tot voor kort af voor het inzicht dat de mensheid door de vernietiging van de natuur de tak afzaagt waarop ze gezeten is. Hoewel Polak en Van der Goes van Naters vele jaren lang belangrijke parlementaire functies bekleedden, werd hun betrokkenheid bij de natuur min of meer gezien als een wat zonderlinge hobby.

PIJNLIJK PROBLEEM

De verhouding tussen "links' en de waardering voor de natuur is het onderwerp van deze historische en wijsgerige studie van Ger Harmsen, historicus van de arbeidersbeweging tot zijn emeritaat als hoogleraar in Groningen. In zijn boek onderzoekt hij de oorzaken van het in linkse kring heersende gebrek aan belangstelling voor de natuur. Daarbij komt een pijnlijk probleem aan de orde: juist in het ultra-rechtse denken wordt aan de natuur bijzondere waarde toegekend. Het vaak wat wereldvreemde maar onschuldige dwepen met de natuur en natuurlijkheid van de negentiende eeuw, soms uitmondend in een mystieke beleving van eenheid met de natuur, werd een dodelijk gevaar toen verloochening van de rede vrij spel gaf aan de verheerlijking van "bloed en bodem'.

Harmsen belicht met recht de ""natuurvijandigheid van het traditionele christendom'', maar bij zijn betoog passen wel enige kanttekeningen. Zijn in dit opzicht negatieve visie op het Oude Testament is eenzijdig. Het joodse geloof is theocentrisch, niet antropocentrisch; Gods zorg strekt zich uit over mens, dier en plant, en al wordt aan de mens heerschappij over de natuur gegeven, dat houdt niet in dat de natuur voor het nut en genoegen van de mens geschapen is. Die opvatting is veeleer door het christendom overgenomen van Griekse denkers, met name Aristoteles en de Stoa.

De evolutieleer van Darwin betekende voor de socialisten van de vorige eeuw een welkome breuk met het starre scheppingsgeloof van de christenen en leidde in ons land tot het vrije denken. Terecht noemt Harmsen Ernst Junghuhn, de grote natuurkenner van Java, de grondlegger van de vrije gedachte in Nederland. Onvermeld blijft de merkwaardige tegenstelling tussen Junghuhns denken en zijn gedrag: enerzijds voelde hij zich in verwantschap en sympathie één met alle levende wezens, anderzijds schoot hij wilde dieren dood zonder noodzaak, ja zonder duidelijk doel. In satanische vergroting trof men bij nazi-beulen een vergelijkbaar contrast aan: sentimentaliteit gepaard aan wreedheid.

Het enthousiasme voor de leer van Darwin leidde evenwel tot een gevaarlijke, door Darwin geenszins bedoelde maatschappelijke opvatting: het "sociaal darwinisme', waarin het recht van de sterkste de verdelging van de zwakke inhield en de weg vrijkwam voor rassendiscriminatie.

Na een heldere uiteenzetting van de marxistische visie op natuur en landschap, met als tegenwicht utopische en anarchistisch-coöperatieve stromingen, volgt de hoofdinhoud: een historische studie van de arbeidersbeweging in haar gebrekkige relatie tot natuurbeleving en natuurwaardering. Symptomatisch was de moeizame verhouding tussen het Instituut voor Arbeidersontwikkeling en de op de Duitse "Wandervogel'-beweging geïnspireerde "Natuurvrienden'-organisatie. Die wat onverkwikkelijke interne belangenstrijd is wellicht typisch Nederlands, en doet denken aan ons voor buitenlanders onbegrijpelijke omroepbestel.

AJC

Een merkwaardige, achteraf bezien omineuze episode is de geschiedenis van de AJC, de Arbeiders Jeugd Centrale, waarin de Germaanse natuurmystiek een steeds grotere rol ging spelen. De zonnewenden en de jaarlijkse lentebloei van de natuur werden gezien als symbolen van de strijd van de arbeider voor recht en vrijheid, maar deze irrationele natuurverering werd bedenkelijk toen het nationaal-socialisme een soortgelijke natuurmystiek bleek te bedrijven. Harmsen gaat overigens niet in op de betreurenswaardige omstandigheid, dat ook bona fide stromingen zoals de volkskunde en de ethnobotanie als gevolg van de ongezonde belangstelling van het nazidom in een vals daglicht zijn komen te staan.

Een van de niet geringe verdiensten van het werk is de aandacht voor tal van personen die hier een rol hebben gespeeld. Terecht krijgt Henri Polak daarbij een ereplaats; Polak was als vakbondsman een pionier, maar hij was ook zijn tijd ver vooruit door veelvuldig te pleiten voor de intrinsieke waarde van de natuur (zoals bij de parlementaire behandeling van de Vogelwet) en door zijn inzicht in de betekenis van een ecologisch evenwicht. Onvermeld blijft dat Polak in zijn woonplaats Laren, in het Gooi, de eerste Nederlandse "welstandsverordening' wist te bewerkstelligen, met inbegrip van een schoonheidscommissie. Waar zovelen genoemd worden, zelfs eendagsvliegen, vraagt de lezer zich echter af waarom sommige in het socialistische kamp gewortelde voorvechters ongenoemd blijven. Ik doel op Frans Tjallingii, een van de grote jeugdbondsleden (NJN), erelid van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging en centrale figuur van de voormalige Leiderskampen voor Natuurstudie, op Carel van Rijsinge, die met zijn boeken en radiopraatjes "Tussen mens en nevelvlek' tallozen bereikte en op Roelof de Wit, gedurende vele jaren de stuwende kracht van de contact-commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming, en als progressief bestuurder levenslang betrokken bij de Partij van de Arbeid.

OPRECHT BETROKKEN

Harmsens boek is een welkome aanvulling op de sociale historie van Nederland, het is een geslaagd amalgama van ideeëngeschiedenis en "petite histoire'. De auteur vervalt niet in het humorloze jargon dat marxistische literatuur zo onleesbaar maakt. Hij is oprecht betrokken bij de strijd van de arbeidersbeweging die hij uit ervaring kent, maar hij weet met een weldadig scepticisme afstand te nemen van zijn onderwerp. In kleine, onderkoelde tussenzinnen duikt nu en dan de zowel nuchtere als bezielde natuurminnaar op.

Jos Dekker schreef in 1990 ""dat er onder de oppervlakte van een natuurbeeld soms een heel ander beeld schuil gaat, een tweede verborgen natuurbeeld. Een beeld dat men eigenlijk niet wil, maar waaraan men ook niet ontkomen kan''. Dat lijkt mij ook hier aan de orde. In de marxistische opvatting is de natuur niet meer denkbaar buiten de mens om: de natuur is, om in dat jargon te blijven, zowel in historisch-economisch als in cultureel opzicht een "bemiddelde categorie', waaraan geen eigen waarde kan worden toegekend. Harmsen onderschrijft dat wel, zij het niet met zoveel woorden, maar in zijn hart beleeft hij de natuur wel degelijk in haar intrinsieke waarde, in het goede gezelschap van Rosa Luxemburg in haar uitspraak ""mijn diepste innerlijk behoort meer aan mijn koolmees toe dan aan mijn kameraden''.

De lezer die de vooroorlogse tijd nog heeft meegemaakt, zal in dit boek veel herkennen dat niet eerder overzichtelijk werd samengevat. Voor de meeste jongeren zal het een openbaring inhouden. Beide categorieën kunnen er uit opmaken hoe vergankelijk ideeën en opvattingen zijn, maar tevens bewezen zien dat "hoe meer iets verandert, des te meer het hetzelfde blijft'.

    • Victor Westhoff