Op een vreselijke manier waren we vrij; Agota Kristof over haar jeugd in Hongarije en de leugens van het schrijven

Agota Kristof vluchtte in 1956 uit Hongarije en kwam met man en kind in Zwitserland terecht. Ze sprak geen woord Frans en werkte in een horlogefabriek. In 1988 publiceerde ze Het dikke schrift, een succesvol boek dat het begin bleek te zijn van een trilogie, die ze vorig jaar voltooide. “Sinds ik in het Frans schrijf, heb ik vermoedelijk mijn echte bestemming gevonden, die erin bestaat romans te schrijven.”

De boeken van Agota Kristof verschijnen bij uitgeverij Van Gennep in vertaling van Henne van der Kooy. Het dikke schrift is ook uitgegeven in de Rainbow Pocket-reeks.

Verbeelding en werkelijkheid zijn op een gecompliceerde manier met elkaar verweven in het werk van de Hongaarse schrijfster Agota Kristof (1935). Ze vestigde haar literaire reputatie met de inmiddels in achttien landen vertaalde roman Het dikke schrift (1986), waarin twee kinderen, een tweeling, die met het oog op hun veiligheid bij de grootmoeder in een Hongaars grensdorp zijn ondergebracht, verslag uitbrengen over het alledaagse leven in oorlogstijd. Geconfronteerd met wreedheid en geweld, bekwaamt de tweeling zich in overlevings- en hardingsoefeningen. De kinderen schrikken desnoods niet voor chantage en zelfs moord terug. Als een groep joden door het dorp op weg naar het vernietigingskamp trekt, is de tweeling getuige van het volgende tafereel. Een magere jood steekt zijn hand uit naar het Hongaarse dienstmeisje van de pastoor en bedelt om een beetje brood. “Het dienstmeisje maakt lachend een gebaar alsof zij de rest van haar boterham gaat geven; zij nadert er de uitgestoken hand mee en dan, met een schaterlach, brengt zij het stuk brood naar haar mond, bijt erin en zegt: “Ik heb honger!” De tweeling stopt later explosieven in het keukenfornuis dat het dienstmeisje moet aanmaken. Het fornuis ontploft. Het dienstmeisje wordt gruwelijk verminkt.

Agota Kristof: “Ik heb zelf gezien hoe het dienstmeisje haar hand met het brood terugtrok. Natuurlijk voelde ik een sterke behoefte om wraak op haar te nemen, maar ik heb niets gedaan. Zoveel jaren later heb ik de tweeling plaatsvervangend wraak laten nemen in mijn boek. In Het dikke schrift vertel ik wel degelijk hoe mijn broer en ik de oorlog als kinderen ervoeren. De toestand was hachelijk. Mijn vader was gemobiliseerd en was bijna nooit thuis. Net als de grootmoeder in het boek moest mijn moeder heel hard zwoegen om ons te kunnen voeden. Wij werden aan het werk gezet: we moesten de tuin besproeien, groenten kweken, voor de dieren zorgen. Er was geen sprake van naar school gaan. We waren aan ons lot overgelaten. Op een vreselijke manier waren we vrij. We waren erg alleen.”

Op de achtergrond van de oorlog en geconfronteerd met extreme situaties doorgrondt de tweeling uit Het dikke schrift heel snel de onvoorspelbaarheid van het gedrag van de mens, in wie goed en kwaad op een raadselachtige manier verstrengeld zijn. De tweeling noteert: “En als wij schrijven: "De ordonnans is aardig', is dat geen waarheid, want de ordonnans kan in staat zijn tot gemeenheden waar wij niet van weten. Wij schrijven dus gewoon: "De ordonnans geeft ons dekens' (-) Woorden die een gevoel aanduiden zijn heel vaag, het is beter het gebruik ervan te vermijden en zich te houden aan de beschrijving van de dingen, van de mensen en van zichzelf, dat wil zeggen aan de getrouwe beschrijving van de feiten.” Kortom, de kinderen leggen voor zichzelf en anderen gedragsnormen aan die even schokkend als geloofwaardig zijn, en tot onze ontsteltenis kunnen ze, zelfs al zijn ze nog zo wreed, rekenen op onze sympathie: met de instemming van de lezer zijn de kinderen wrekende engelen en rechters in eigen en andermans zaak. Er zijn immers geen andere instanties waarop ze een beroep zouden kunnen doen.

Agota Kristof: “In Het dikke schrift wilde ik objectief blijven. Ik geef geen kwalificaties die abstract zijn. De kinderen schrijven gewoon op wat ze zien. Er is absoluut geen psychologische intentie in mijn werk. Er wordt schrijvend getoond, zonder oordeel of commentaar. Ik denk dat de eenzaamheid mijn onderwerp is, het zit ook in mijn toneelstukken waarin zoveel wordt gerookt en gedronken. Het heeft te maken met het internaat waarin ik op mijn veertiende opgesloten werd. Dat was een vreselijke ervaring voor me. Op die leeftijd begon ik te schrijven. Het gevoel van eenzaamheid heeft me sindsdien niet meer verlaten. Maar schrijven is geen therapie voor me. Het is gewoon iets wat in mijn leven noodzakelijk is. Ik schrijf niet om mijn pessimisme te overwinnen, want je wordt niet optimistischer omdat je een roman hebt voltooid. Bovendien vind ik datgene wat ik geschreven heb achteraf slecht. Als ik mijn werk herlees ben ik meestal gedegouteerd. Ik herlees zo weinig mogelijk. Schrijven heeft voor mij evenmin met discipline te maken, want er is geen discipline. Ik schrijf als het bij me opkomt. Ik kan niet anders.”

Zoals zovelen van haar landgenoten verliet Agota Kristof in 1956 Hongarije. Ze was toen twintig jaar.

“Op een avond zijn we de grens naar Oostenrijk overgestoken. Mijn man droeg onze baby, die drie maanden oud was. Ik had de zuigfles en wat kleertjes bij me. Dat was heel ons bezit. We vestigden ons in het Zwitserse Neuchâtel. Het was een erg moeilijke tijd. Ik werkte van 's morgens tot 's avonds in een horlogefabriek. In die tijd schreef ik mijn gedichten in de fabriek. Ik schreef ze op het ritme van het kabaal dat de machines maakten, dat ging heel goed. Voor de rest leefden we erg geïsoleerd, zoals zoveel Hongaren in ballingschap. Ik kende de taal niet, kon geen kranten lezen en begreep niets van de films in de bioscoop. Veel Hongaarse ballingen hebben het toen niet uitgehouden en hebben zelfmoord gepleegd.”

Wroeten

“Met heel veel moeite heb ik Frans geleerd en toen begon ik in het Frans toneelstukken te schrijven. Veel van wat ik toen aanpakte is nooit voltooid, omdat ik me niet goed kon uitdrukken. Nog altijd voel ik me onzeker als ik in het Frans schrijf, ook al denk ik nu in die taal. Als ik een eerste versie schrijf bekommer ik me absoluut niet om de spelling. Daarmee wacht ik tot ik de definitieve versie overtik. Dan breekt de fase aan waarin ik ononderbroken in Franse woordenboeken zit te wroeten en de fouten elimineer. Vandaar dat mijn werk zo langzaam vordert. Schrijven vergt enorm veel van mijn krachten. Ik weet echt niet wat ik geschreven zou hebben als ik niet van taal veranderd was. In hoeverre bepaalt die andere taal je persoonlijkheid, je schrijverschap? Sinds ik in het Frans schrijf, heb ik bijvoorbeeld definitief afscheid genomen van de poëzie en heb ik vermoedelijk mijn echte bestemming gevonden, die erin bestaat romans te schrijven. Het dikke schrift was niet alleen mijn eerste roman, het was ook mijn eerste in het Frans geschreven roman. Juist omdat in het boek kinderen aan het woord komen, had ik behoefte aan een eenvoudige stijl. Ik had mijn buik vol van alle poëtische versieringen. Die eenvoud heb ik ook in mijn latere werk betracht. Het dikke schrift was aanvankelijk niets anders dan een verzameling van zeer korte verhalen, die ik in willekeurige volgorde opschreef. Later begon ik te componeren. Ik dacht: als ik er nog een begin en een einde aan toevoeg, heb ik een roman. Ik heb het boek gemonteerd, zoals je dat met een film doet.”

Het dikke schrift bleek de aanloop tot een trilogie te zijn. In 1988 verscheen Het bewijs en nog eens drie jaar later De derde leugen. Dat was absoluut geen opzet, vertelt Agota Kristof, het was iets wat sterker was dan haar zelf: “Na Het dikke schrift wilde ik iets anders op stapel zetten, maar in Het bewijs kwam ik weer bij de tweeling terecht. En ook daarna was ik niet in staat om een ander thema aan te pakken.”

In Het bewijs en De derde leugen hebben de kinderen uit Het dikke schrift een naam gekregen. Lucas en Klaus T. zijn tweelingbroers. Lucas is op zijn vijftiende uit het Hongaarse stadje K. naar Oostenrijk gevlucht. Op zijn vijftigste keert hij naar K. terug om zijn verdwenen broer op te sporen. Wat hij al die tijd in het Westen heeft uitgespookt blijft voor ons een raadsel. Na de ontmoeting met zijn broer Klaus pleegt Lucas, die kennelijk de confrontatie met de waarheid niet aankan, zelfmoord door onder een trein te springen.

Agota Kristof: “Het grensstadje Käszeg is het eigenlijke hoofdpersonage van de trilogie. Dat stadje bestaat, het oefent een grote fascinatie op me uit. Als ik Hongarije bezoek, verzuim ik nooit een paar dagen in Käszeg door te brengen, ook al heb ik daar geen familie meer. Het vergaat me als mijn personage Lucas, die terugkeert naar dat stadje waar niemand hem nog kent. Daar hebben de mensen geleefd die me voor de personages die mijn romans bevolken hebben geïnspireerd: Victor, de alcoholische boekhandelaar en schrijver in spe die zijn zuster vermoordt; Clara, die grijs is geworden in de nacht dat haar man werd geëxecuteerd; de slapeloze man die de hele nacht aan het venster doorbrengt en die ik vanuit mijn kamer kon observeren. En net zoals Lucas in De derde leugen kan ik vaststellen dat in K. eigenlijk niets veranderd is: je vindt er de boekhandel, de winkels, het hotel, de straatjes die ik in mijn romans beschrijf. Behalve de mensen is alles hetzelfde gebleven.”

Tanks

“De historische gebeurtenissen, de oorlog en de Hongaarse revolutie, vormen de achtergrond van de trilogie. Ik beschrijf ze zoals ik ze zelf heb ervaren. Ik heb me niet gedocumenteerd. In 1956, toen het Rode Leger Hongarije binnenviel, had ik nog niet veel inzicht. Het verging me zoals Lucas die door zijn venster kijkt en ziet dat de tanks komen aanrollen. Zo heb ik het beleefd. In de oorlog waren de Duitsers onze bondgenoten. Ze haalden vreselijke dingen uit. Maar het verschrikkelijkst was toch de komst van de Russen, die als vijanden het land binnentrokken en die ons als een slavenvolk behandeld hebben. Maar ik wil dat niet analyseren. Ik heb dat een keer geprobeerd. Toen ik Het bewijs aan de uitgever bezorgde, stoorde het hem dat ik juist te precies was in mijn beschrijving van de Hongaarse revolutie. Hij adviseerde me de roman te herschrijven. Ik vond dat hij gelijk had. Alles wat te duidelijk en te precies was, heb ik weggelaten. In de nieuwe versie doet het er niet veel toe over welke revolutie het gaat. Ook nu volg ik de Hongaarse gebeurtenissen niet op de voet, al is het eenvoudiger om er naartoe te gaan nu het ijzeren gordijn gevallen is. Ik hoef geen angst meer te hebben om de grens over te steken. Van mijn familie hoor ik dat het er slecht gaat, dat de zekerheden van vroeger zijn verdwenen, dat er veel inflatie en werkloosheid is, dat het erg moeilijke tijden zijn en dat de mensen buitengewoon ontevreden zijn.”

Het thema incest is een obsessioneel gegeven in het oeuvre van Agota Kristof. Een voorbeeld is het meisje Yasmine, dat in K. door Lucas in huis wordt opgenomen, en dat zwanger is van haar vader: “Op een dag ging hij op me liggen, hij deed zijn geslacht tussen mijn dijen, hij zei: "Knijp je benen tegen elkaar, knijp heel hard, laat me niet binnen, ik wil je geen pijn doen.' Jarenlang bedreven we zo de liefde, maar een keer kwam de nacht dat ik geen weerstand meer kon bieden. Mijn verlangen naar hem was te groot, ik deed mijn benen uit elkaar, ik was volledig open, hij kwam in me.' ” Yasmine brengt een mismaakt kind, Mathias, ter wereld. Lucas vermoordt Yasmine op het ogenblik dat ze hem samen met Mathias wil verlaten. Is het beeld van de incestueuze relatie een metafoor voor de weigering om in de wereld van de volwassenheid te treden, om de kinderjaren te consolideren in wel erg besloten relaties?

Kristof: “Dat is heel goed mogelijk, want mijn jeugd achtervolgt me onafgebroken. Het is zo dat tussen mij en mijn broer een soort incestueuze relatie bestond, zij het niet in fysieke zin. Maar toch, dat was het grote taboe in mijn leven. Later heb ik zonder mijn broer geleefd, maar het was nooit als tevoren. Mijn broer is ook schrijver, zijn werk wordt in Hongarije gepubliceerd. Hij is de enige Hongaarse auteur die ik lees. Ik weet ook wel dat het bizar is, maar ik heb er geen verklaring voor dat ik geen enkele behoefte heb om de Hongaarse literatuur te volgen. In al die jaren heb ik niet een Hongaarse roman gelezen. Ik ben er gewoon niet in geïnteresseerd.”

Onverdraaglijk

“Ik weet trouwens niet eens wat de literatuur in het algemeen eigenlijk voor me betekent. Ik heb het vermoeden dat ik tracht echt gebeurde verhalen te vertellen, maar uiteindelijk worden het ongewild onware verhalen. Wat ik tracht te zeggen wordt tijdens het schrijfproces altijd gedeformeerd.”

Dat klinkt als een echo op het antwoord dat Lucas in De derde leugen geeft op de vraag van de boekhandelaarster in K., die wil weten of hij ware of verzonnen dingen schrijft: “Ik antwoord haar dat ik probeer ware geschiedenissen te schrijven, maar op een bepaald ogenblik wordt de geschiedenis onverdraaglijk, juist door haar waarheid, en dan ben ik gedwongen haar te veranderen. Ik zeg haar dat ik probeer mijn geschiedenis te vertellen maar dat ik het niet kan, ik heb er de moed niet voor, het doet me teveel pijn. Dus maak ik alles mooier en beschrijf ik de dingen niet zoals ze gebeurd zijn, maar zoals ik had gewild dat ze gebeurd waren.”

“Ja”, zegt Agota Kristof, “met de titel De derde leugen wordt aangegeven dat de eerste twee boeken, die volgens mij door Lucas geschreven zijn, in feite leugens waren en dat er in het derde boek een leugen aan wordt toegevoegd. Lucas beeldt zich dingen in, maar eigenlijk weet hij niet wat er precies is gebeurd, want vanaf zijn vierde jaar bevindt hij zich in een hospitaal. Hij verzint geschiedenissen die hadden kunnen gebeuren, maar pas in het derde boek wordt opgehelderd wat er werkelijk is geschied. In Het bewijs verbeeldt hij zich dat hij in Hongarije gebleven is, maar dat is niet zo. Zo vergaat het ook mij gedeeltelijk. In Het dikke schrift was ik van plan over mijn jeugd te spreken, maar uiteindelijk is het niet het boek geworden dat ik me voorgenomen had te schrijven, ook al vormen de ervaringen uit mijn kindertijd er de basis van. In De derde leugen wou ik schrijven over mijn ervaringen in het buitenland, maar in de roman gaat het daar nu juist niet over. Je komt niets te weten over het leven dat Lucas in het buitenland heeft geleid.”

De trilogie van Agota Kristof vergt om al die redenen een zeer aandachtige lectuur. De schrijfster brengt de lezer graag op dwaalsporen. Na lezing van Het dikke schrift is men ervan overtuigd dat de moeder van de tweeling door een bom is omgekomen en dat de vader in het mijnenveld op de grens aan stukken is gereten. In De derde leugen komt echter het gezinsdrama, dat Lucas uit zijn bewustzijn verdrongen heeft, in alle duidelijkheid aan het licht. Kristof maakt bovendien systematisch gebruik van onaffe vormen die tijdens het lezen moeten worden ingevuld.

Kristof: “Lucas vermoordt Yasmine, niet omdat ze hem wil verlaten, maar omdat ze haar mismaakte zoontje Mathias, op wie Lucas zeer gesteld is geraakt, wil meenemen. Maar die moord wordt niet beschreven. In een eerste versie was dat wel het geval. In die versie laat ik Lucas vroeg in de ochtend thuiskomen van zijn geliefde Clara. Als hij merkt dat Yasmine aan het inpakken is, sleurt hij haar mee naar de waterkant, bedrijft de liefde met haar en verdrinkt haar daarop in de rivier. Ik heb die scène in de definitieve versie helemaal weggelaten. Het gebeurt geregeld dat ik uit mijn boeken passages wegknip. Daardoor wordt het gebeuren veel raadselachtiger, hoewel de aandachtige lezer uiteindelijk wel te weten komt hoe de vork in de steel zit. Als veel later het lijk van een vrouw wordt opgegraven, wordt het toch wel duidelijk dat het gaat om het lijk van Yasmine die door Lucas gedood is.”

Ondanks alles houdt Agota Kristof erg veel van Lucas, de fantast, ook al is hij een moordenaar en heeft hij heel gemene trekjes: “Lucas, dat ben ik, dat is mijn broer. Ik heb Lucas mijn wereldbeeld meegegeven, dat natuurlijk erg pessimistisch is. Ik houd een dagboek bij, en ik aarzel niet om af en toe citaten uit mijn dagboek in de mond van Lucas te leggen.”

Als ik de schrijfster vraag of de vervloeking van de boosaardige antigod in De derde leugen uit haar dagboek komt, beaamt ze dat zonder meer. Die passage luidt als volgt: “Ik zeg hem dat het leven van een volstrekte nutteloosheid is, het is zinloosheid, waanzin, lijden zonder eind, het bedenksel van een antigod wiens boosaardigheid alle begrip te boven gaat.” Of de menselijke soort als een fundamentele vergissing van de natuur in dat sadistisch universum heeft plaatsgenomen? “Ja”, zegt Agota Kristof minzaam: “Dat is de waarschijnlijkste hypothese.”