Ik ben Tom en Jerry is de bal; Tom & Jerry en de mysteries van Magritte

Zonder het van elkaar te weten hebben Joe Barbera en Bill Hanna, de twee Amerikaanse makers van de tekenfilms Tom & Jerry, en de Belgische schilder Magritte hun beelden uit dezelfde doos gehaald. Steeds weer schemeren de begoochelingen van de Belg door het grote gevecht tussen Tom en Jerry heen.

Het werk van Magritte is in het museum terechtgekomen, Tom & Jerry horen bij kinderpartijtjes. “De films van Tom & Jerry zijn aan vergezochte verklaringen ontkomen. Gelukkig maar, zal iemand zeggen. Toch blijft het onbegrijpelijk. Hoe komt het dat twee werelden die sterk met elkaar verwant zijn zo verschillend worden ontvangen?”

T.R. Adams: Tom and Jerry - Fifty Years of Cat and Mouse. Met een voorwoord van William Hanna. Uitg. Pyramid Books. Prijs ƒ 60,90.

Tom en Jerry bestaan vijftig jaar. Wacht even, dit jubileum klopt niet helemaal. Hun eerste film werd op 10 februari 1940 in Los Angeles uitgebracht. In mei 1942 hadden ze vijf avonturen achter de rug. Het halve-eeuwfeest zou in Nederland weer wat later moeten worden gevierd. Ze bereikten Europa in het najaar van 1945 en toen was hun succes in Amerika zo groot geworden dat ze elkaar al in eenentwintig films achterna hadden gezeten.

Toch luidt de titel van het boek van T.R. Adams dat eind vorig jaar uitkwam en hier nu pas verkrijgbaar is: Tom and Jerry - Fifty Years of Cat and Mouse. Het past bij hun razendsnelle bewegingen, dit spel met jaartallen, geen datum kan aan hen worden gehecht.

Als we ze bij de ijskast willen benoemen zijn ze al weer met een ham of een stuk taart naar de kelder verdwenen en wie ze op de zolder ziet heeft onmiddellijk het nakijken. Daar gaan ze, met gestrekte voeten koorddansend over de waslijn, ze vallen, de muis redt het nog met dat topje van een bikini als parachute, maar de kat grijpt tevergeefs naar de mouw van een overhemd en slaat een paar seconden later te pletter, is zo plat en zo groen als het kort geschoren gazon, madeliefjes vormen de omtrek van zijn lichaam.

Die halve eeuw moet met vallen en opstaan nog wat verder worden uitgerekt. Het begon in het voorjaar van 1939. Fred Quimby, het hoofd van de afdeling korte films bij Metro Goldwyn Mayer, vroeg zijn medewerkers Joe Barbera en Bill Hanna of ze niet een paar nieuwe ideeën voor een serie tekenfilms hadden.

Hanna was bij MGM toen al een tijd regisseur van tekenfilmhelden. Hij kende het vak door en door, van de schets ter grootte van een duimnagel naar de ingekleurde tekening tot de seconde die met hoogstens vierentwintig beeldjes kan worden gevuld, hoe minder beeldjes, hoe vlugger de handeling verloopt. Een tekenaar zorgde voor de keuken, de tuin, het bos en de andere achtergronden, een collega bekommerde zich alleen om de beweging van de spelers. Alles werd door Hanna in het oog gehouden, de verhaallijn in beeld, het tijdschema voor de cameraman en ook de muziek, die hij bij verschillende films zelf schreef.

Barbera kwam iets later naar MGM. Hij tekende zo behendig, dat het leek of de figuren in allerlei houdingen al onzichtbaar op het papier stonden en alleen nog op de aanraking van het potlood wachtten om tot leven te kunnen worden gebracht. Hanna keek er vaak naar en was onder de indruk van Barbera's talent.

Het is of Tom en Jerry al door deze regels heen willen lopen. Ze vertrappen de woorden en laten die te feitelijke mededelingen in gruzelementen uiteenvallen, kunnen elk lidwoord ook met dynamiet opblazen, zodat de ogen van de lezer van het ene begrip naar het andere moeten struikelen. Ze onttrekken zich aan de geschiedenis en zouden zich nog het best herkennen in het temperament van de jonge tennisspeelster Monica Seles die zich met deze onverbiddelijke stelregel naar de top sloeg: “Ik ben Tom en Jerry is de bal.”

Koppig

Hanna en Barbera namen de vraag van Quimby hoogst ernstig. Het moest een serie worden die het publiek meteen aansprak. Ze zochten een gegeven waarop steeds weer kon worden gevarieerd, een gevecht tussen twee dieren misschien. Een hond en een kat? Die mochten elkaar zeker niet. Een vos en een hond? Hun wederzijdse haat bood ook mogelijkheden voor een langdurig drama, een slimmerik tegenover een opschepper.

Een kat en een muis, die waren natuurlijk het mooist, aan hun gevecht hoefde nooit meer een eind te komen. Met een verhaal en de eerste schetsen gingen ze naar hun baas. Quimby zag er niets in. Het was een afgetrapte vondst, Mickey Mouse, Felix the Cat, het wemelde in de tekenfilmwereld al van katten en muizen. Wat kon daar in vredesnaam nog voor oorspronkelijks aan worden toegevoegd.

Hanna en Barbera hielden koppig vol. En werkelijk, Quimby gaf hun toch een kans. Ze gingen door met de voorgenomen geschiedenis, die buitengewoon simpel was. De kat, die toen nog Jasper heette, zit de naamloze muis als een razende achterna en breekt een kostbare schaal. Van de donkere huishoudster - we zien altijd alleen haar middel en benen - krijgt hij te horen dat de maat vol is: als hij nog iets breekt vliegt hij eruit!

Om die waarschuwing draait, nee, trilt het hele verhaal. Als het wankele aanzien van zijn vijand tot de muis doordringt kiest hij de zwaartekracht als medestander. Hij probeert nu alles in huis te breken, van sierbord tot martiniglas. De kat verhindert dat met al de virtuositeit die in z'n lijf, kop en ledematen zit, het is een bezeten dans, een eerbetoon aan de werveling van voorwerpen, die zelfs de knapste jongleur met jaloezie vervult.

Het hele bestaan van de artiest staat op het spel, straks geen houtvuur, kussens en melk meer, zelfs de vechtlustige ademhaling van de muis tracht hij te dempen. Toch komt hij nog handen en voeten te kort, hij rent zijn eigen ondergang tegemoet, om hem heen valt en breekt het, hij belandt in wat de titel belooft en vliegt eruit. Tevreden trekt de muis zich onder het bordje Home sweet home terug in zijn goed gemeubileerde woning achter een plint.

Hoe groot het succes van Puss gets the boot ook was, weer sputterde MGM tegen. Het was een eendagsvlieg, een slotakkoord, het debuut van de twee dieren, die haat in schoonheid lieten overlopen, moest ook maar hun zwanezang zijn. Op de lange duur was er toch geen stuiver aan hen te verdienen.

De tekenfilmers spanden vijftien draden over een diepe kloof en splitsten de gestalte van Quimby in vijftien delen die elk afzonderlijk over een koord de overkant maar moesten zien te halen, een voet naast een oor, een hand naast een knie, een oog naast een schouder. Het is de vraag of de producent ooit heelhuids was aangekomen, als hij niet plotseling hulp had gekregen.

MGM ontving een brief van Besa Short, een bioscoopgigante uit Dallas. Ze had zo van Puss gets the boot genoten dat ze begerig naar de volgende afleveringen vroeg. Die waren vast al in de maak. Wanneer kon ze de nieuwe avonturen van de kat en de muis in haar programma opnemen?

Die brief veranderde een aardig verhaaltje in dollars. Hanna en Barbera mochten hun gang gaan en maakten tot 1959 meer dan honderd films. Tussen 1943 en 1952 kregen zeven van hun avonturen een Oscar. Die prijzen zijn bijzaak. Hanna en Barbera bereikten het hoogst mogelijke: hun vindingrijkheid werd een groot publiek succes.

In zijn voorwoord bij Fifty Years of Cat and Mouse heeft William Hanna het over de populariteit van zijn helden. Hoe kwam dat? Volgens hem omdat ze grappig waren. Zo eenvoudig was het. Hoe eenvoudig? Zes weken keihard werken aan een filmpje van zes of zeven minuten, het vervolmaken van elke lijn, elke beweging, de scherpste aandacht voor elk detail, van de eerste schets tot en met de muziek.

Meer heeft Hanna niet over zijn werk te zeggen. Met de kritiek op het valse karakter van Tom heeft hij weinig moeite. Best mogelijk dat de kat in de meeste huishoudens buitengewoon schattig is. Daar heeft een tekenfilmer niets aan. Hoe harder er wordt geslagen, hoe leper de aard van de aanval is, des te geestdriftiger wordt het jonge of oude publiek.

Strapatsen

Wie de strijd tussen de kat en de muis volgt begrijpt meteen waarom Hanna zich zo terughoudend over hen uitlaat. Grappig zijn ze, meer niet, Tom is aan 't biljarten op zo'n Amerikaanse tafel met in elke hoek een gat. Het onderkomen van Jerry bevindt zich dit keer pal onder het speeloppervlak. In de buizenpost waarin de genummerde ballen dienen te verdwijnen heeft hij zijn huis gebouwd. Nog even en een bal treft in volle vaart zijn bed.

Geheimen

We staan in een kamer uit Cue Ball Cat en het is november 1950. De kat moet de geheimen van de doodgewone tafel door en door kennen. Als een bal na een verkeerde stoot het hoekgat dreigt te missen springt het dier vliegensvlug naar de andere kant van het speelveld en verplaatst de opening naar de plek die hem uitkomt, precies goed, de bal treft doel, het gat mag weer naar de hoek.

Het gevecht is in volle gang. Geen zinswending kan de strapatsen van de twee dieren bijhouden, kijken kunnen we, dat wel, de muis komt te voorschijn, wordt tot een bal met een nummer gekneed en over de tafel geschoten, vier, vijf seconden later zit hij op de top van de keu, hij is nu de punt van de biljartstok, zijn kop wordt gekrijt en stoot keihard tegen de volgende bal.

Even later laat de muis de keu tegen de kop van de kat dreunen, al de gelaatstrekken van het dier verdwijnen, wat rest is een glad gezicht. En nu is er geen houden meer aan. De kat met op z'n kop een kroonkurk komt in een flesjesautomaat terecht. Weer tot leven gekomen steekt hij zijn hand in een gat om de muis te grijpen, maar trekt aan zijn eigen staart die door de muis naar het hart van de biljarttafel is gehengeld, nee, de muis legt het misschien toch nog af, daar nadert een trein gevormd door dreigende en vernuftig zwenkende ballen, de bezoeker hoort de stoomfluit van de locomotief.

Dit huis staat in Los Angeles, daar is geen twijfel over mogelijk, de scheppers van Tom en Jerry gebruikten voor hun verhalen de omgeving die zij het best kenden. Maar als Tom de biljartkeu ook nog tot een driehoek verbuigt, die meetkundige figuur in brand steekt en Jerry door de vlammende opening laat springen begint de kamer zich te verplaatsen en bereikt, na enkele seconden, de keurige Mimosastraat in Brussel, maakt nu deel uit van de onopvallende woning van René Magritte.

De twee Amerikanen en Magritte hebben, zonder het van elkaar te weten, hun beelden uit dezelfde doos gehaald. Steeds weer schemeren de begoochelingen van de Belg door het grote gevecht tussen Tom en Jerry heen.

Heel vaak beschilderde Magritte een wijnfles met het naakte lichaam van een vrouw. De illusie wordt gewekt dat zij zich werkelijk onder de kurk bevindt, een lot dat Tom niet alleen in Cue Ball Cat, maar ook in tientallen andere films treft.

Toms glad gemepte gezicht, geen enkele gelaatstrek meer, is een ander beeld dat zich met het werk van Margritte vermengt. Het keert bij de schilder voortdurend terug, een appel of een lamp vervangen het hoofd en soms ontbreekt dat zelfs helemaal, tussen bolhoed en kraag zit een lege plek.

De kat is nog minder zeker van zijn gezicht dan de helden van Magritte. Het kan de vorm aannemen van elk obstakel dat zijn weg verspert, een ijsblok, een goudvissenkom, een braadpan. Ook de rest van zijn lichaam vormt maar tijdelijk een eenheid. Wat Hanna en Barbara boosaardig aan Quimby toebedachten wordt de kat werkelijk gegund. Als de botsing tussen een muur, een boom, een waslijn te hevig is valt zijn lijf in stukken uiteen. Ook die zijn niet te stuiten, ze rennen verspreid verder om elkaar later, haast toevallig, weer te ontmoeten, de kat kan zich zelf weer samenstellen. Die kans heeft de vrouw die Magritte in 1930 schilderde niet. Voeten, benen, romp, borsten en hoofd zijn over zeven verschillende doeken verdeeld. Elk lichaamsdeel is ingelijst, nooit zullen ze elkaar meer bereiken, vandaar die titel, De eeuwige vanzelfsprekendheid.

Ook de vermenigvuldiging van de held is een vast nummer van Hanna en Barbera en Magritte. In Fraidy Cat, een spookgeschiedenis uit 1952, wordt Tom gek van angst als er zeven witte katachtige schijngestaltes in zijn stijl achter hem aanlopen, ze hebben een duivels plezier in de vrees van hun baas. Na een andere ramp hangt Tom als zeven katten aan de waslijn alsof hij, uit papier geknipt, harmonicagewijs tevoorschijn is gekomen.

De man met de bolhoed, de hoofdrolspeler van Magritte, is verscheidene malen in gezelschap van zichzelf. In De druiventijd (1959) staan ze, zestien man sterk, in dezelfde onberispelijke kleding voor een open raam en kijken met uitdrukkingloze gezichten een kamer in waar zich niets afspeelt.

Kloof

Hoe groot de overeenkomsten ook zijn, het is de vraag of het werk van Hanna en Barbera wel mag worden vergeleken met het oeuvre van Magritte en dat van zijn navolgers, de Belg heeft school gemaakt. Tom en Jerry, dat zijn maar simpele tekenfilms die op een kinderpartijtje thuishoren, in de buurt van limonade en papieren hoedjes. Ze zijn grappig en dat is alles, de maker zegt het zelf. Magritte en zijn geestverwanten horen bij wat wel het mysterie wordt genoemd. Hun werk is in het museum terechtgekomen. De kloof tussen het kinderpartijtje en het museum is niet te overbruggen, zelfs niet als je vijftien draden over die diepte spant.

Op 20 maart 1962 schrijft Magritte dat hij op zijn schilderijen geen willekeurige dingen combineert. Hij voegt ze uiterst gewetensvol samen "zodat de zichtbare dingen het mysterie oproepen, zonder dat zou er niets bestaan.' Ruim twee jaar later, op 25 november 1964, heeft hij het nog eens over zijn wil om "hetgeen de wereld biedt zodanig samen te voegen dat het mysterie van het zichtbare en het onzichtbare wordt opgeroepen'.

Duidelijker kan het niet. Maar gaan zijn ernstige woorden ook niet op voor een van de mooiste scènes van The Invisible Mouse uit 1947?

Jerry is in een fles onzichtbare inkt gevallen. Hij ziet hoe zijn ledematen stuk voor stuk verdwijnen tot hij is uitgewist. Onkwetsbaar is hij geworden, drinkt de melk van de kat en slaat de slapende hond met een golfstok, zodat de kat de schuld krijgt.

Dan komt het, de kat krijgt een van zijn betere ogenblikken. Hij heeft door dat de muis onzichtbaar is, strooit meel op de vloer, vlak voor hem, wacht nog even en ja, daar zijn ze, de voetafdrukken van de onzichtbare, een schitterend patroon ontstaat recht onder Toms neus.

Het had een schilderij van Magritte kunnen zijn, een witte vloer met daarin twee voetafdrukken, De onzichtbare man uit, laten we zeggen, 1935, het jaar waarin hij een paar schoenen van tenen voorziet, alsof voet en schoen van dezelfde huid zijn gemaakt. Ook dat beeld komt bij Hanna en Barbera voor.

Het werk van Magritte is onder een vracht interpretaties bedolven. Hij heeft het niet kunnen verhinderen, al heeft hij keer op keer gezegd dat zijn schilderijen eenvoudiger waren dan zijn exegeten beweerden.

De films van Tom & Jerry zijn aan vergezochte verklaringen ontkomen. Gelukkig maar, zal iemand zeggen. Toch blijft het onbegrijpelijk. Hoe komt het dat twee werelden die sterk met elkaar verwant zijn zo verschillend worden ontvangen?

Aan het vakmanschap kan het niet liggen. De Tom & Jerry-films zijn zelfs beter getekend dan de voorstellingen van Magritte. Vooral de wisseling van snelheid is prachtig, Toms hele vacht deint mee als hij plotseling stopt, om zijn tegenstander te ontlopen, of juist, om hem te vangen, met een grote sprong vooruitschiet.

Het verhaal werd nog door andere tekenaars tot in de jaren tachtig voortgezet. Het werd minder en minder, niemand kon de techniek van Hanna en Barbera evenaren.

In 1943 laat Magritte de arm van de jager door een muur gaan, Tom kan dat ook, verdwijnt zelfs door de hele muur. Eén gevolgtrekking kan nog maar de juiste zijn: er wordt om die twee armen gelachen of ze krijgen allebei de apekool-behandeling, alsof het om de oplossing van het wereldraadsel gaat. Wie de twee voorvallen verschillend benadert zondigt tegen de logica.

De vergelijking wordt nog vreemder als je bedenkt dat degenen die moeite hebben met Magritte en de zijnen in hun jeugd wel van Tom en Jerry genoten. De tekenfilms waren in feite nog moeilijker, dezelfde plaatjes als in het museum maar dan veel vlugger, het was onmogelijk een scène voor de tweede keer te zien.

Ik ga opzij, druk me tegen de muur en denk aan Monica Seles, ze stuiven me voorbij, na die biljartpartij moeten ze in een scène uit Jerry and the lion terecht zijn gekomen. De muis heeft een glijbaan geïmproviseerd, die van de ijskast naar een plek loopt waar een ontsnapte leeuw verborgen moet zitten. Alles heeft Jerry erop gestort, tomaten, eieren, een hele ham.

De kat probeert die diefstal uit alle macht te voorkomen. Dan verlies ik ze uit het oog. Later ontdek ik ze weer in de kelder. Dit keer is Tom op de vlucht, hij opent een deur, daar zit geen opening maar een muur achter. Hij werpt zich door de muur heen en laat de omtrek van zijn kop en zijn gespreide armen en benen in de geopende stenen achter.